[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 maart 2008, 07/1417 (hierna: aangevallen uitspraak),
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst van Steenwijkerland en Westerveld (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 8 december 2009
Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter zitting van 27 oktober 2009 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving - voor zover hier van belang - over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. Nadat in het kader van een heronderzoek was gebleken dat zij over 2003 een belastingteruggave had ontvangen, is haar bij brieven van 4 januari 2006 en 8 augustus 2006 verzocht een kopie van de aangifte inkomstenbelasting 2003 over te leggen. Omdat niet aan dit verzoek werd voldaan heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 4 oktober 2006 de over 2003 verleende woonkostentoeslag ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) tot een bedrag van € 2.041,20 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd, zodat achteraf bezien het recht op woonkostentoeslag over 2003 niet is vast te stellen.
1.2. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de terugvorderingsgrondslag gewijzigd van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, 2e, van de WWB, de intrekking herroepen en het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 275,52. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard omdat de eerder gevraagde gegevens pas in de bezwaarfase zijn overgelegd en het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 16 juli 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellante haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat zij de aangifte inkomstenbelasting wel tijdig heeft overgelegd, dat het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond is verklaard, dat niet langer aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, en dat vanwege het kruimelbedrag en de aanwezigheid van dringende redenen van terugvordering had moeten worden afgezien.
4. De Raad komt tot de volgende boordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het ervoor moet worden gehouden dat appellante de aangifte inkomstenbelasting 2003 pas in de bezwaarfase heeft overgelegd. De grief dat appellante ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase is toegekend heeft zij aanvankelijk gekoppeld aan het door het Dagelijks Bestuur onjuist geformuleerde “dictum” van het besluit op bezwaar. Nu in hoger beroep niet langer aanspraak wordt gemaakt op deze vergoeding en ook overigens niet is aangegeven welke consequenties aan het gestelde onjuiste “dictum” (wat daar van zij) in het besluit op bezwaar moeten worden verbonden, treft de resterende grief geen doel. Overigens merkt de Raad nog op dat de Algemene wet bestuursrecht voor besluiten op bezwaar, anders dan voor beslissingen in beroep en hoger beroep, geen dicta voorschrijft.
4.2. Dat het Dagelijks Bestuur van terugvordering had moeten afzien omdat volgens de ter zake geldende beleidsregels een drempelbedrag van € 250,-- wordt gehanteerd, kan de Raad niet volgen reeds omdat het terug te vorderen bedrag - uiteindelijk - op € 275,52 is vastgesteld. Aan de stelling, ten slotte, dat sprake zou zijn van dringende redenen om van terugvordering van het bedrag van € 275,52 af te zien, gaat de Raad voorbij nu dit op geen enkele wijze is toegelicht of onderbouwd.
4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.