Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7015

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-220 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
  • J. Riphagen
  • C.P.M. van der Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Hoofdstuk 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WGA-uitkering op basis van juiste medische beperkingen en passend opleidingsniveau

Appellante, werkzaam als parttime postsorteerster, viel uit wegens nek-, schouder- en handklachten, waaronder het Carpaal Tunnel Syndroom. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%.

Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies die als grondslag voor de schatting dienden, medisch geschikt waren voor appellante. Wel werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.

Appellante voerde hoger beroep en stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en niet beschikte over het vereiste opleidingsniveau voor de geduide functies. De Raad concludeerde echter dat de medische beoordeling van het UWV, inclusief aanvullingen door een psychiatrisch expert, juist was en dat het opleidingsniveau van appellante terecht op niveau 2 was vastgesteld.

De Raad vond geen aanleiding tot nader deskundigenonderzoek en verwierp het standpunt van appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt was. Het verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld op 54,2%, wat geen volledige arbeidsongeschiktheid betekent.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/220 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2008, 07/2404 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde en het Uwv zich heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als parttime postsorteerster. Voor dat werk is zij laatstelijk uitgevallen op 9 november 2004 wegens nek- en schouderklachten. Later zijn daar ook handklachten als gevolg van een Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) bijgekomen. Appellante heeft het Uwv verzocht om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 30 maart 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.
1.3. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.
2. Tegen het besluit van 31 juli 2007, hierna het bestreden besluit, heeft appellante beroep ingesteld. De rechtbank heeft – samengevat – geen aanleiding gevonden de bij appellante vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts een psychiatrische expertise is uitgebracht door psychiater W.M.J. Hassing. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen. In de omstandigheid dat eerst in de beroepsfase voldoende is gemotiveerd waarom appellante beschikt over het voor de geduide functies vereiste opleidingsniveau zag de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen maar de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft zij zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, reden ook waarom zij meent niet in staat te zijn tot het uitoefenen van de aan haar geduide functies. Ter ondersteuning heeft appellante gewezen op de eerder in de procedure overgelegde informatie van haar behandelend neurologen en op een recent expertiserapport van 20 juni 2009 van psychiater A.R. Hertroijs. Appellante blijft zich voorts op het standpunt stellen dat zij niet beschikt over het voor de geduide functies vereiste opleidingsniveau.
4.1. De Raad verstaat de eerste beroepsgrond aldus dat appellante meent dat zij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet WIA, welk hoofdstuk ziet op de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Een aanspraak van appellante per 30 maart 2006 op een IVA-uitkering is aan de orde, indien moet worden vastgesteld dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag. Naar aanleiding van het door de behandelend neurologen aangegeven CTS zijn in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 mei 2007 nadere beperkingen opgenomen. Psychiater Hassing is in haar rapport van 5 mei 2007 tot de conclusie gekomen dat appellante ten tijde in geding leed aan een pijnstoornis. Naar aanleiding van dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts naast de al door de verzekeringsarts gestelde niet geringe beperkingen, waaronder een urenbeperking van 20 uur per week, in de FML nog aanvullingen opgenomen ten aanzien van conflicthantering en samenwerken. De Raad is er niet van overtuigd geraakt – ook niet naar aanleiding van de contra-expertise van psychiater Hertroijs – dat het Uwv de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding heeft overschat. De Raad verwijst hiervoor naar de reactie op laatstgenoemde expertise van de bezwaarverzekeringsarts van 30 juli 2009, waarin hij zich kan vinden. Voorts laat de Raad wegen dat Hertroijs drie jaar na de in geding zijnde datum een ander beeld van appellante schetst dan Hassing, waarbij hij voor appellante geen arbeidsmogelijkheden aanwezig acht, zonder dat hij toelicht waarom hij het niet eens is met de visie van Hassing en overigens dus ook niet met die van de bezwaarverzekeringsarts. Nu de Raad geen twijfel heeft over de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen is er geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt, hetgeen van de zijde van het Uwv overtuigend is toegelicht. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het opleidingsniveau van appellante, gelet op het feit dat zij het basisonderwijs heeft afgerond en vervolgens nog aanvullend onderwijs heeft genoten en jarenlange werkervaring heeft opgedaan, met juistheid is bepaald op niveau 2. Aan appellante zijn dan ook terecht functies geduid op opleidingsniveau 2. Het gaat bij nadere beschouwing van de inhoud van de functies om eenvoudige productiefuncties waarvoor een beperkt kennisniveau en beperkte vaardigheden nodig zijn.
4.4. Van de zijde van appellante is niet bestreden dat, uitgaande van hetgeen zij met die functies op de in geding zijnde datum zou kunnen verdienen, een verlies aan verdiencapaciteit is opgetreden van 54,2%, hetgeen een restverdiencapaciteit van 45,8% inhoudt. Van volledige arbeidsongeschiktheid was dan ook geen sprake.
4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten..
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
EK