Appellante, geboren in 1957, werd in 2007 herbeoordeeld op grond van het voor 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit, waarbij haar beperkingen werden vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% vast en trok haar WAO-uitkering per 8 november 2006 in. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat er meer beperkingen, met name een urenbeperking, aangenomen hadden moeten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de FML niet waren overschat. In hoger beroep herhaalde appellante haar grieven. De Raad oordeelde dat de medische grondslag voldoende was, maar dat de toelichting op het arbeidskundige aspect, met name op duwen, trekken en toetsenbordgebruik, pas in hoger beroep toereikend was gegeven.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
09/396 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2008, 08/4272, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk aan Zee, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 22 juni 2009 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord, door middel van inzending van onder andere een rapport van 18 juni 2009, met bijlagen, van W.G.E. Buskermolen, bezwaararbeidsdeskundige.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de hoger beroepsprocedure tussen partijen onder nr 08/7137 WAO, plaatsgevonden op 4 november 2009. Namens appellante was bovengenoemde gemachtigde, aanwezig, alsmede de echtgenoot van appellante [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad verwijst voor de relevante feiten met betrekking tot de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de intrekking daarvan per 8 november 2006 naar de uitspraak tussen partijen van heden in geding 08/7137 WAO.
1.2. Appellante, geboren 2 oktober 1957, is in oktober 2007 aan de hand van de criteria van het voor 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit herbeoordeeld door middel van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 oktober 2007. Het Uwv heeft naar aanleiding van vorenbedoeld onderzoek appellante bij besluit van 13 november 2007 bericht, dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 op minder dan 15% is vastgesteld. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij een schrijven van 11 januari 2008 van haar behandelend reumatoloog A.J.M. Schuerwegh is overgelegd. Tevens is informatie van haar huisarts ingezonden. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts D. van Arkel op 14 april 2008 rapport uitgebracht. Daarin heeft hij het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat appellante belastbaar is met arbeid onderschreven, maar tevens aangegeven dat op het psychisch vlak te weinig beperkingen zijn aangenomen. In de door hem aangescherpte FML van 14 april 2008 zijn aanvullend beperkingen opgenomen ten aanzien van, onder andere, de items concentratie, verdelen van aandacht en herinneren. De bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen heeft aan de hand van de aangepaste FML de eerder geduide functies opnieuw bezien, geconstateerd dat één functie moet vervallen en vastgesteld dat binnen de functiecode van wikkelaar twee andere functies – die minder concentratie vereisen – in aanmerking komen. Het verlies aan verdiencapaciteit is (echter) nog steeds minder dan 15%, te weten 10,3%. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 19 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, kort weergegeven, gesteld dat er meer beperkingen, met name een urenbeperking, aangenomen hadden moeten worden. De geduide functies zijn te belastend, waarbij met name is gewezen op de eerder vermelde informatie van de behandelend reumatoloog en de huisarts.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Met de in de FML van 14 april 2008 opgenomen beperkingen is de belastbaarheid van appellante niet overschat. De door de behandelend reumatoloog verstrekte informatie doet daar niet aan af nu zij de al bij de verzekeringsartsen bekende diagnose fibromyalgie onderschrijft. Het enkele feit dat deze diagnose door haar wordt gesteld betekent nog niet dat de in de FML opgenomen beperkingen onjuist zijn, aldus de rechtbank. Ook rechtvaardigen de voorhanden medische gegevens niet het stellen van een urenbeperking. Ook de arbeidskundige basis van het bestreden besluit is door de rechtbank onderschreven.
4. Namens appellante zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad acht met de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt. Er zijn geen medische gegevens in geding gebracht die in voldoende mate twijfel doen rijzen aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen. Het staat, zoals eerder in de rechtspraak van de Raad tot uiting is gekomen, de verzekeringsartsen (van het Uwv) vrij om op grond van hun specifieke deskundigheid terzake de - actuele- belastbaarheid van appellante anders in te schatten dan voorheen is geschied.
5.3. Ten aanzien van het arbeidskundige aspect van de schatting merkt de Raad op dat de zogenoemde signaleringen in – achtereenvolgens- de arbeidskundige rapporten van A.G. Diergaarde van 6 november 2007 en die van Buskermolen van 15 mei 2008 en 18 juni 2009 in voldoende mate zijn toegelicht. Ten aanzien van hand- en vingergebruik is appellante niet beperkt geacht en op het aspect schroefbewegingen worden in de geduide functies geen te hoge eisen gesteld. Wel moet worden vastgesteld dat met betrekking tot de items duwen en trekken en het gebruik van toetsenbord en muis eerst in hoger beroep een toereikende toelichting is verkregen. Dit betekent, nu bedoelde toelichting op zich adequaat is te achten, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te worden gelaten. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, komt deswege voor vernietiging in aanmerking.
6. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties, te begroten op € 644, - in beroep en € 644,- in hoger beroep. Ook dient het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante, te begroten op in totaal € 1288,- (€ 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep);
Bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- in beroep en € 107,- in hoger beroep, in totaal € 146,-, dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.