Betrokkene was sinds 1992 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. In 2005 trok het UWV deze uitkering in na een medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd geoordeeld dat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Betrokkene maakte bezwaar en kreeg in eerste aanleg gelijk van de rechtbank, die het besluit vernietigde vanwege een gebrek in het medische onderzoek.
Het UWV ging in hoger beroep en voerde aan dat het gebrek was hersteld door aanvullend onderzoek en een deskundigenrapport. De Raad constateerde echter dat de rechtbank de grenzen van het geschil had overschreden omdat in eerste aanleg geen gronden waren aangevoerd tegen het primaire medische onderzoek.
Deskundig onderzoek door psychiater Van Weers toonde aan dat betrokkene wel degelijk psychiatrische beperkingen heeft die het UWV had onderschat. De Raad volgt dit oordeel en bepaalt dat het UWV een nieuwe beoordeling moet maken op basis van de functionele mogelijkhedenlijst (FML), waarbij de functie chauffeur-besteller als niet passend wordt aangemerkt.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
07/2902 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 april 2007, 06/1034
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 18 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij is verwezen naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 4 oktober 2006.
Namens betrokkene heeft mr. L.I. Olivier, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, op 27 augustus 2007 van verweer gediend.
Appellant heeft gereageerd op 4 juli 2008, onder overlegging van een rapport van 25 juni 2008 van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp.
Het geding is behandeld ter zitting van een meervoudige kamer van de Raad van 17 oktober 2008. Namens appellant is verschenen J.G.M. Huijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Beishuizen, kantoorgenoot van mr. Olivier.
De Raad heeft het onderzoek heropend en M.J. van Weers, psychiater te Venray, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek en het adviseren van de Raad.
Op 17 mei 2009 heeft Van Weers gerapporteerd.
Namens appellant heeft Waasdorp op 28 mei 2009 gereageerd.
De Raad heeft op 22 juli 2009 vragen gesteld aan Van Weers, welke vragen hij op 25 augustus 2009 heeft beantwoord. Bij brief van 15 september 2009 heeft appellant, onder overlegging van een rapport van 9 september 2009 van Waasdorp, gereageerd. Namens betrokkene heeft mr. Beishuizen, als opvolgend gemachtigde van betrokkene, op
25 september 2009 gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Het geding is opnieuw aan de orde gesteld ter zitting van 6 november 2009, waar partijen zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene heeft op 10 juni 1991 haar werk als interieurverzorgster/kamermeisje voor 27 uur per week gestaakt in verband met lichamelijke klachten. Naderhand zijn daar psychische klachten bij gekomen. Per einde wachttijd zijnde 9 juni 1992, werd zij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en dien overeenkomstig aan haar een WAO-uitkering toegekend.
1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft appellant op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 26 september 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 23 september 20005 ingetrokken op de grond dat betrokkene per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO werd geacht.
1.3. In de bezwaarprocedure heeft J.D.J. Tilanus, psychiater, op verzoek van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen een expertise-rapport uitgebracht.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 27 april 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 september 2005 ongegrond verklaard.
2.1. In beroep heeft betrokkene een psychiatrische expertise doen uitbrengen, verricht door J. Huisman, psychiater.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft voorts aanvullende beslissingen gegeven betreffende proceskosten en griffierecht.
2.3. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de primaire medische beoordeling niet heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts. Dit gebrek in de beoordeling, dat naar het oordeel van de rechtbank niet hersteld was door het onderzoek in de bezwaarprocedure, werd door de rechtbank in strijd geoordeeld met de WAO en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3. Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat het door de rechtbank gesignaleerde gebrek bij de totstandkoming van het bestreden besluit wel is hersteld. Daarbij is gewezen op het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts (dossierstudie), het bijwonen van de hoorzitting door deze bezwaarverzekeringsarts en, naar aanleiding van het besprokene op die hoorzitting het doen verrichten van een expertise onderzoek door psychiater Tilanus.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In de eerste plaats moet de Raad vaststellen dat in eerste aanleg geen gronden zijn aangevoerd die zien op het door de rechtbank gesignaleerde gebrek bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Uit het procesverbaal van de zitting van 11 oktober 2006 van de rechtbank, maar ook uit hetgeen partijen daarover hebben verklaard ter zitting van 17 oktober 2008 van de Raad, blijkt niet dat de zorgvuldigheid van het primaire medische onderzoek door de arts L.H.W. Sabel, door partijen aan de orde is gesteld.
4.2. Nu de bepalingen van artikel 18 vanPro de WAO en 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit die zien op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zijn te beschouwen als bepalingen van openbare orde die de rechter ambsthalve moet toetsen, en nu door betrokkene in eerste aanleg geen gronden zijn aangevoerd die – naar de strekking van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mogelijkerwijs – zien op de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door appellant, moet de Raad constateren dat de rechtbank de grenzen van het geschil als bedoeld in artikel 8:69 vanPro de Awb heeft overschreden. De aangevallen uitspraak kan reeds om die reden niet in stand blijven.
4.3. Met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of appellant ten aanzien van betrokkene de juiste medische beperkingen heeft vastgesteld en, in het verlengde daarvan of zij op de datum in geding in staat moet worden geacht tot het verrichten van de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies, overweegt de Raad als volgt.
4.4. Deskundige Van Weers heeft betrokkene onderzocht, kennisgenomen van het dossier en aanvullende informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Deze deskundige heeft aangegeven dat hij het oordeel van het Uwv dat betrokkene niet lijdt aan een psychiatrische stoornis en dat er op grond daarvan geen medische reden bestaat om betrokkene in haar persoonlijk en sociaal functioneren beperkt te achten, niet deelt. Hij heeft zich in hoofdlijnen kunnen vinden in de bevindingen van psychiater Huisman. Van Weers heeft per onderdeel van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangegeven in hoeverre betrokken naar zijn mening licht, matig dan wel ernstig, of niet, beperkt is te achten.
4.5. Naar aanleiding van de reactie van 28 mei 2009 van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp en vragen van de Raad, heeft de deskundige zijn oordeel enigszins genuanceerd, maar heeft hij, gegeven de – inmiddels ook door appellant erkende – psychiatrische stoornis zijnde een somatisatiestooornis, in combinatie met een persoonlijkheidsstoornis, de eerder door hem vastgestelde beperkingen grotendeels gehandhaafd. De chronische pijnklachten die leiden tot minder energie geven aanleiding om ook in de werktijden een beperking tot verrichten van werk overdag op te nemen, aldus deze deskundige.
4.6. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geboden. De Raad ziet in de reacties van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp geen aanleiding om deskundige Van Weers niet te volgen.
4.7. Dit betekent dat appellant de belastbaarheid van betrokkene ten tijde hier van belang heeft overschat. Appellant zal aan de hand van de beperkingen zoals vastgesteld door Van Weers middels een nieuw op te stellen FML moeten beoordelen in hoeverre betrokkene in staat is de eerder geduide functies te verrichten, waarbij de Raad reeds nu opmerkt dat de functie chauffeur-besteller (sbc-code 9548-999-002), gelet op de werkzaamheden te verrichten in de avonduren, als niet passend moet worden aangemerkt.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 34,80 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 839,80.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Draagt het Uwv op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 839,80.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.