[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 maart 2008, 07/1170 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2009
Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv stukken uit het Ziektewetdossier overgelegd.
Namens appellant zijn op 23 oktober 2009 aanvullende stukken ingediend. In reactie op deze stukken heeft het Uwv een rapportage van 2 november 2009 van bezwaarverzekeringsarts M. Bakker ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Verschenen is mr. Maats, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.A. Blind.
1.1. Appellant was laatstelijk tot 11 mei 2004 werkzaam als allround meubelmaker voor 38,75 uren per week, waarna hem een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstrekt. Met ingang van 30 augustus 2004 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met rugklachten. In maart 2005 is appellant aan een hernia geopereerd. Op 18 juni 2005 is appellant een motorongeval overkomen. In het kader van een Ziektewet-bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts A. Colijn op 21 juni 2006 appellant alsnog niet arbeidsgeschikt bevonden.
1.2. Appellant heeft een op 14 juli 2006 gedateerde aanvraag ingediend om uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het kader van die aanvraag is hij op 24 augustus 2006 door verzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker onderzocht waarna deze arts een functionele mogelijkhedenlijst (FML) heeft opgesteld. Arbeidsdeskundige J.H.A. Oosterwegel heeft vervolgens appellant een aantal functies voorgehouden, aan de hand waarvan het verlies aan verdiencapaciteit op 39,5% is gesteld.
1.3. Aan appellant is bij besluit van 7 september 2006 met ingang van 28 augustus 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. In het kader van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft bezwaarverzekeringsarts M. Bakker het dossier bestudeerd alsmede de in het kader van de Ziektewet door het Uwv bij de huisarts, de Hanzepoort/GGZ en revalidatiecentrum Het Roessingh opgevraagde medische informatie. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gezien de FML aan te passen; onder andere is daarbij een urenbeperking aangegeven vanwege een dag per week therapie. Bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk heeft de eerder geduide functies passend geacht en de resterende verdiencapaciteit op € 1292,30 per maand berekend; het verlies aan verdiencapaciteit komt daarmee alsnog op 50,36%.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 14 juni 2007 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, ingesteld tegen het besluit van 14 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv en dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies voldoende zijn onderbouwd. In het rapport van 25 januari 2008 van medisch adviseur J.F.G. Wolthuis noch in het neuropsychologisch rapport van 20 januari 2007 van dr. M. Blokhorst heeft de rechtbank aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande cognitieve, psychische beperkingen, maar ook met de lichamelijke beperkingen bestaande uit rugklachten, nekklachten, hoofdpijnklachten en gevoelige gewrichten en spieren. Ter onderbouwing van zijn grieven is een rapport van 14 oktober 2009 van medisch adviseur Wolthuis overgelegd, alsmede nadere informatie van de huisarts van appellant, van orthopedisch chirurg C.T. Koorevaer van 24 april 2009 en radioloog J.W.A.P. van Hoogstraten van 29 mei 2009.
3.2. Onder verwijzing naar het rapport van 2 november 2009 van bezwaarverzekeringsarts Bakker heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek door het Uwv als onvolledig of onjuist moet worden bestempeld. Met name uit het rapport van 8 juni 2007 van bezwaarverzekeringsarts Bakker komt naar voren dat alle dan bekende medische informatie is bezien en gewogen. In de in eerste aanleg ingediende rapporten van medisch adviseur Wolthuis en van psycholoog Blokhorst ziet de Raad – evenals de rechtbank en onder verwijzing naar de door haar gegeven motivering – geen objectief medische onderbouwing voor de stelling dat de medische beperkingen van appellant zoals vastgesteld door Bakker zijn onderschat. Uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie blijkt wel van nieuwe bevindingen, maar de Raad moet de conclusie onderschrijven van Bakker in haar rapport van 2 november 2009 dat met betrekking tot de datum in geding 28 augustus 2006 deze niet afdoen aan de vastgestelde medische beperkingen.
4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de door de arbeidsdeskundige geduide functies alle in voldoende mate zijn toegelicht in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van Dijk van 12 juni 2007 en in de notities functiebelasting van dezelfde datum. Nu het in verband met de in de FML vastgelegde urenbeperking parttime functies betreft, is de Raad van oordeel dat daarmee in voldoende mate tegemoet gekomen wordt aan de ten tijde hier van belang beperkte beschikbaarheid van appellant in verband met te volgen therapie gedurende een dag per week. De Raad tekent daarbij aan dat niet is komen vast te staan dat deze therapie – waarover de gemachtigde van appellant ter zitting overigens geen nadere gegevens kon verstrekken – alleen op de dinsdag kon worden gevolgd.
4.3. Gelet op het onder 4.1 en 4.2 overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.
(get.) T.J. van der Torn.