[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 april 2008, 07-8327
(hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2009
Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld en daarbij overgelegd de volledige medische voorgeschiedenis, zoals vastgelegd door de huisarts.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 24 juni 2008.
Het onderzoek ter zitting in deze door de meervoudige kamer naar de enkelvoudige kamer verwezen zaak heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.
1. Appellant was werkzaam als medewerker speelgoedzaak gedurende 16 uur per week toen hij zich op 22 oktober 1996 ziek meldde met gewrichts- en energetische klachten in verband met een longaandoening. Aan appellant is met ingang van 21 oktober 1997 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze arbeidsongeschiktheidsklasse bleef nadien bij verschillende beoordelingen ongewijzigd.
2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling in verband met het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit op 13 maart 2007 onderzocht door de verzekeringsarts J.N.H. Bos. Deze ontving informatie van de behandelend longarts van 19 april 2007. In een rapport van 13 maart/25 april 2007 beschreef Bos de klachten, het dagverhaal, het psychisch en lichamelijk onderzoek alsmede de naar zijn oordeel in verband met de long-, energetische en locomotore klachten aangewezen beperkingen. Deze beperkingen legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij 30 mei 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 juli 2007 in.
3. In de bezwaarprocedure concludeerde de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Koek in een rapport van 23 oktober 2007 dat volgens de informatie van de longarts geen sprake was van duurzame ernstige longfunctiestoornissen. Wel achtte zij het noodzakelijk dat de FML werd aangevuld met een beperking voor het dragen van beschermende kleding (onderdeel 3.5) en voor een atopie voor grassoorten, huisstofmijt en katten en honden (onderdeel 3.9.1.). Koek vulde daarom de FML op eveneens 23 oktober 2007 aan. Vervolgens concludeerde de bezwaararbeidsdeskundige in een ook door Koek ondertekend rapport van 29 oktober 2007 dat de geduide functies ook op basis van de aangevulde FML voor appellant medisch geschikt waren en lichtte hij de signaleringen in deze functies toe. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 30 oktober 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 mei 2007 ongegrond.
4. In beroep legde appellant de samenvatting van de relevante correspondentie tussen de huisarts en de behandelend specialisten over. In een ter zitting bij de rechtbank overgelegd rapport concludeerde Koek daaruit dat er in het najaar van 2007 niet het aantal door appellant gestelde ernstige longinfecties zijn geweest en dat eerst in januari 2008 sprake was van rechterschouderklachten.
5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 30 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.
5.2. De rechtbank onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uit de in overweging 4 vermelde informatie van de huisarts leidde de rechtbank, onder verwijzing naar de reactie van Koek, niet af dat appellant in het geheel niet belastbaar zou zijn en dat zijn gestelde ziekteverzuim voor een werkgever aanleiding zou zijn appellant niet in dienst te nemen wegens een onaanvaardbaar verzuimrisico. Voorts oordeelde de rechtbank dat appellant met zijn beperkingen in staat was de geduide functies te vervullen.
6. In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt, dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, zijn in rubriek I vermelde, volledige medische voorgeschiedenis overgelegd.
7.1. De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanleiding gezien de voor appellant in verband met zijn longaandoening vastgestelde beperkingen, zoals deze door Koek nader zijn aangevuld, voor onjuist te houden. Weliswaar blijkt uit de medische voorgeschiedenis en de in beroep overgelegde informatie van de huisarts van al jaren bestaande longproblemen, waarvoor appellant onder behandeling is, maar er kan niet aan worden voorbijgezien dat de geclaimde ernst en optredende frequentie van die problemen rond de datum in geding (31 juli 2007) niet valt af te leiden uit die stukken. In dit verband acht de Raad van belang dat op 30 december 2006 sprake was van een consult in verband met een longontsteking, die appellant voelde opkomen, dat op 17 mei 2007 sprake was van een op zich fraaie longfunctie, dat wil zeggen een volledig reversibel astma en dat eerst op 30 november 2007 hoest- en hoofdpijnklachten werden gemeld. Gelet op een en ander is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt van appellant dat in verband met zijn longproblematiek sprake zou zijn van een onaanvaardbaar verzuimrisico voor een werkgever.
7.2. De Raad onderschrijft voorts niet dat het Uwv de schouderklachten van appellant heeft miskend. Uit de medische voorgeschiedenis blijkt dat appellant op 29 januari 2008 schouderklachten meldde, dat sprake was van een bursitis en dat appellant anderhalf jaar daarvoor gevallen was tegen een deurpost. Uit de medische voorgeschiedenis blijkt niet van een eerdere melding van schouderklachten door appellant en appellant heeft ook niet specifiek schouderklachten gemeld bij het onderzoek van de verzekeringsarts.
7.3. Wat betreft de gestelde psychische klachten stelt de Raad voorop dat
hij de gemachtigde van appellant niet heeft toegestaan een ter zitting meegebracht rapport van de psychiater, bij wie appellant sinds augustus 2008 in behandeling is, te overleggen. Naast het, gelet op een goede procesorde, zeer late tijdstip van gewenste overlegging en het feit dat van de zijde van het Uwv daar bezwaar tegen is gemaakt, neemt de Raad in aanmerking dat uit de in beroep en in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts blijkt dat in mei 2006 sprake was van een crisis met suïcidale uitingen in verband met relatieproblematiek, dat daarvan in oktober 2006 geen sprake meer van was en dat in elk geval in 2007 en het eerste kwartaal van 2008 geen sprake was van meldingen van psychische klachten. Gelet op de medische voorgeschiedenis heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat.
7.4. Wat betreft de medische geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, waartegen appellant overigens geen specifieke gronden heeft ingebracht, heeft de Raad, gezien het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank.
7.5. De overwegingen 7.1 tot en met 7.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.
(get.) T.J. van der Torn.