ECLI:NL:CRVB:2009:BK7208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6303 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding bij Wuv-uitkering

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een afwijzend besluit op haar aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Dit bezwaar werd door verweerster niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken.

Appellante had verzocht om correspondentie via e-mail te ontvangen vanwege een verblijf in het buitenland, maar het primaire besluit Wuv was niet via e-mail toegezonden, in tegenstelling tot het besluit op grond van de Wubo. Hierdoor ontving appellante het besluit pas bij terugkeer in Nederland, terwijl dringende familieomstandigheden haar aandacht vroegen.

De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim was bij het indienen van haar bezwaar en dat de niet-ontvankelijkverklaring daarom onterecht was. Het bestreden besluit werd vernietigd en verweerster werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, met vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

08/6303 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 september 2008, kenmerk BZ 47971, JZ/Y90/2008, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 10 maart 2008 (hierna: primair besluit Wuv), op dezelfde dag verzonden aan het huisadres van appellante, heeft verweerster afwijzend beslist op de aanvraag van appellante van augustus 2007 om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wuv.
Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt bij brief van 22 augustus 2008, door verweerster ontvangen op 25 augustus 2008. Dat bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor indiening daarvan ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van 6 weken. Daarbij is overwogen, kort gezegd, dat weliswaar het primair besluit Wuv niet, zoals in verband met verblijf buitenslands verzocht, per e-mail is toegezonden, maar dat appellante vervolgens na thuiskomst op 30 juli 2008 heeft verzuimd om zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk - zijnde volgens de geldende rechtspraak in vergelijkbare gevallen binnen een termijn van twee weken - een bezwaar in te dienen.
1.2. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij bij brief van 16 februari 2008 aan de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: PUR) heeft gemeld dat zij vanaf 1 maart 2008 enkele maanden in het buitenland zou verblijven en voorts heeft verzocht om alle correspondentie over haar aanvraag via e-mail toe te zenden. Aan dat verzoek heeft de PUR ten tijde van belang ook gevolg gegeven, behalve nu juist ten aanzien van het belangrijkste stuk, het primaire besluit Wuv. Omdat zij er bij thuiskomst niet op rekende en er ook niet op hoefde te rekenen dat zich tussen de enorme stapel post een besluit over haar aanvraag zou bevinden, heeft appellante, mede in verband met het huwelijk van haar dochter waarvoor zij naar Nederland was teruggekomen en waarvoor in de eerste week veel moest worden geregeld, aan de verwerking van de post geen voorrang gegeven. Onder deze omstandigheden is haar reactie na drie weken wél zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, aldus appellante.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift 6 weken. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2. Uit de gedingstukken blijkt dat de hiervoor genoemde aanvraag van appellante van augustus 2007 een zogenoemde samenloopaanvraag is, gericht zowel op toepassing van de Wuv als op toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke laatste wet wordt uitgevoerd door de Raadskamer WUBO van de PUR. In een zodanig geval vindt de behandeling voor de beide wetten voor oorlogsgetroffenen zoveel mogelijk gecoördineerd plaats. Op grond van verstuurde e-mails blijkt dat het primaire besluit over de aanvraag ingevolge de Wubo, van gelijke datum als het primaire besluit Wuv, met begeleidende brief wel via e-mail is verzonden. Van zodanige e-mails over de aanvraag ingevolge de Wuv is niet gebleken. Mede gelet op de verklaringen hierover van appellante, aan de juistheid waarvan geen reden bestaat tot twijfel, houdt de Raad het evenals verweerster ervoor dat het primaire besluit Wuv niet via e-mail aan appellante is toegezonden.
2.3. De onder 1.2 genoemde brief van 16 februari 2008, die zich onder de gedingstukken bevindt, is gericht aan de PUR, Raadskamer WUBO, en vermeldt alleen het specifieke correspondentienummer voor de Wubo. Een dergelijke brief aan verweerster ontbreekt onder de gedingstukken. Gelet op het samenloopkarakter van de aanvraag acht de Raad echter het eventueel ontbreken van een expliciet verzoek om ook Wuv-stukken via e-mail toe te zenden niet doorslaggevend. In aanmerking genomen voorts dat door de PUR niet afwijzend is gereageerd op de brief van appellante van 16 februari 2008 doch integendeel het besluit over de toepassing van de Wubo wel via e-mail is toegezonden, kon en mocht appellante er naar het oordeel van de Raad op rekenen dat ook het primaire besluit Wuv via e-mail zou worden toegezonden. Een en ander betekent dat verweerster het primaire besluit Wuv in feite aan het verkeerde adres heeft gezonden.
2.4. De hiervoor onder 2.2 en 2.3 omschreven bijzondere omstandigheden, bezien in onderling verband met hetgeen appellante verder heeft verklaard over de dringende familieomstandigheden die bij terugkeer in Nederland, alleszins begrijpelijk, haar primaire aandacht vroegen, leiden de Raad tot de slotsom dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante bij de indiening van haar bezwaarschrift in verzuim is geweest. Verweerster had dan ook de niet-ontvankelijkverklaring daarvan met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege moeten laten.
3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit niet in rechte standhouden.
4. De Raad is, ten slotte, niet gebleken van proceskosten die op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) T.J. van der Torn.
HD