ECLI:NL:CRVB:2009:BK7239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2269 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten na verhuizing naar Israël

Appellante, geboren in 1938 en vervolgd in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, heeft in juni 2008 een aanvraag ingediend voor vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten vanwege haar verhuizing van Nederland naar Israël in december 2007. Zij gaf aan te lijden aan nachtmerries en hoofdpijnen en verhuisde vanwege het warme klimaat om minder last te hebben van reumatische pijnen.

Verweerster wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk was in verband met de uit de vervolging voortvloeiende klachten. Appellante voerde in beroep aan dat de aanvraag pas na verhuizing werd gedaan en dat de verhuizing niet verband hield met haar reumatische klachten, hoewel hoofdpijnklachten bleven bestaan.

De Raad oordeelde dat verweerster op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen strikt medische indicatie was die verband hield met de psychische en hoofdpijnklachten voortvloeiend uit vervolging. Verweerster hanteert een beleid waarbij een combinatie van niet-causale klachten die de verhuizing noodzakelijk maken en causale klachten die de verhuizing wenselijk maken, een tegemoetkoming rechtvaardigt. Dit was in het geval van appellante niet het geval.

De Raad zag geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden geven om van dit beleid af te wijken en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten bevestigd.

Uitspraak

09/2269 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], Israël (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 maart 2009, kenmerk BZ 48153, JZ/B70/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, vervolgde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat haar psychische klachten en hoofdpijnklachten in het vereiste verband staan met de vervolging. Niet in het vereiste verband konden worden aangenomen de epilepsie, status na TBC en de hartklachten van appellante.
1.2. Bij een vervolgaanvraag van juni 2008 heeft appellante verzocht om vergoeding van dan wel een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting in verband met haar verhuizing van Nederland naar Israël in december 2007. Daartoe heeft appellante, blijkens het over haar aanvraag opgemaakte sociaal rapport, aangevoerd dat zij lijdt aan nachtmerries en hoofdpijnen en dat zij met haar dochter naar Israël is verhuisd in verband met het warme klimaat om minder last van haar reumatische pijnen te hebben.
1.3. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 8 oktober 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daarbij is overwogen dat deze voorziening in verband met de uit de vervolging voortvloeiende klachten niet medisch noodzakelijk danwel medisch-sociaal wenselijk is.
1.4. In beroep is door appellante vooral aangevoerd dat zij de aanvraag voor verhuis- en herinrichtingskosten niet deed voor haar verhuizing van Nederland naar Israël, maar dat zij de voorziening heeft aangevraagd toen zij in Israël al in een huis woonde. Verder komt naar voren dat appellante niet uit Nederland naar Israël is verhuisd in verband met haar reumatische klachten en dat ze nog immer hoofdpijnklachten heeft.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Het standpunt van verweerster berust op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Uit deze adviezen en uit informatie uit het sociaal rapport is af te leiden dat appellantes reumatische klachten aan de verhuizing ten grondslag liggen. Niet is gebleken dat de causale klachten een rol hebben gespeeld bij de wens tot verhuizing.
2.2. Gezien deze informatie heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden geoordeeld dat in het geval van appellante geen strikt medische indicatie verbandhoudend met haar uit de vervolging voortkomende psychische klachten en hoofdpijnklachten als bedoeld in artikel 20 van Pro de Wet aanwezig is voor de door haar gevraagde voorziening.
2.3. Met betrekking tot verweersters weigering appellante op grond van artikel 21 van Pro de Wet in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de kosten van de door haar gevraagde voorziening overweegt de Raad dat het hier gaat om een bevoegdheid van verweerster zodat een besluit terzake door de Raad met terughoudendheid dient te worden getoetst.
Verweerster heeft aan de haar ingevolge artikel 21 van Pro de Wet toekomende bevoegdheid ter zake van verhuis- en herinrichtingskosten zodanig vorm gegeven dat - kort weer-gegeven - een tegemoetkoming in deze kosten wordt verleend indien sprake is van een combinatie van niet-causale klachten die de verhuizing noodzakelijk maken en causale klachten die de verhuizing wenselijk maken. In het geval van appellante is niet voldaan aan deze door verweerster gehanteerde richtlijn. De Raad ziet uit de gedingstukken en het behandelde ter zitting ook geen bijzondere omstandigheden naar voren komen die voor verweerster aanleiding hadden moeten zijn om ten behoeve van appellante van haar hiervoor omschreven beleid af te wijken.
3. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het beroep ongegrond verklaard moet worden.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) T.J. van der Torn.
HD