ECLI:NL:CRVB:2009:BK7299

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4647 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens niet tijdig indienen jaarstukken

Appellant had een WAO-uitkering die door het UWV per 1 januari 2003 werd ingetrokken omdat hij de jaarstukken over 2002 en 2003 niet tijdig had ingediend. Appellant verzocht later om heroverweging met medische redenen als verklaring voor de vertraging, maar dit verzoek werd afgewezen.

In bezwaar en beroep voerde appellant aan dat medicijngebruik leidde tot verminderde alertheid en andere klachten waardoor hij niet in staat was de stukken tijdig te overleggen. De rechtbank oordeelde dat appellant de stukken eerder had kunnen indienen en dat de medische omstandigheden niet voldoende aannemelijk waren gemaakt om te spreken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door medische redenen niet eerder kon voldoen aan zijn verplichtingen.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant de jaarstukken niet tijdig heeft ingediend en medische redenen dit niet aannemelijk maken.

Uitspraak

08/4647 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2008, 07/4724 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009, waar namens appellant is verschenen mr. Lipman, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 april 2005 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken, omdat hij de jaarstukken over de jaren 2002 en 2003 niet tijdig had ingeleverd. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
2.1. Bij brief van 10 november 2006 heeft appellant, onder overlegging van de jaarstukken over de jaren 2002, 2003 en 2004, het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 5 april 2005. Daarbij heeft hij er op gewezen dat hij vanwege medische omstandigheden niet eerder in staat is geweest deze jaarstukken bij het Uwv in te dienen.
2.2. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het Uwv dit verzoek, onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene Wet bestuursrecht (Awb), afgewezen.
3.1. In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat er bij hem als gevolg van het gebruik van medicijnen sprake is geweest van verminderde alertheid, depressie, verwardheid en depersonalisatie en dat hij als gevolg hiervan niet in staat is geweest om de jaarstukken tijdig bij het Uwv in te dienen.
3.2. Bij besluit op bezwaar van 12 november 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de door appellant naar voren gebrachte (medische) omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.1. In beroep heeft appellant dezelfde gronden naar voren gebracht als in bezwaar.
4.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de bij brief van 10 november 2006 ingediende jaarstukken eerder had kunnen indienen en daarom niet als een nieuw gebleken feit of veranderende omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat deze jaarstukken na het besluit van 5 april 2005 tot stand zijn gekomen heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant zijn standpunt dat hij medisch gezien niet in staat is geweest om de gevraagde jaarstukken eerder in te leveren, niet, dan wel in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.
5. De Raad kan zich geheel verenigen met voormelde conclusies van de rechtbank en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat appellant de jaarstukken eerder had kunnen indienen en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege medische redenen hiertoe niet in staat is geweest. Het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb onderschrijft de Raad dan ook. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.D.F. de Moor.
KR