Appellante verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd op grond dat zij met arbeid meer kan verdienen dan 65% van het maatmaninkomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstige medische klachten heeft, waaronder een niet werkende nier, hoge bloeddruk, duizeligheid, epileptische wegrakingen en rugklachten, waardoor zij niet kan werken. Tevens betwistte zij de arbeidskundige beoordeling, met name de geschiktheid van de functie huishoudelijk medewerkster vanwege het gebruik van een trapje.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en diepgaand was, waarbij rekening is gehouden met medische gegevens van de behandelend sector. De beperkingen zijn adequaat vastgesteld en de functie huishoudelijk medewerkster is medisch passend, aangezien het trapgebruik beperkt is en geen verhoogd persoonlijk risico vormt.
De Raad concludeerde dat appellante met haar beperkingen in staat is om de aan haar toegerekende functies te vervullen en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 AwbPro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden.
Uitspraak
09/715 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 november 2008, 07/7834 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 november 2009 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Van Schijndel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het Uwv besloten om appellante niet in aanmerking te brengen voor een uitkering uit hoofde van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Aan dit besluit ligt de opvatting ten grondslag dat appellante per 23 december 2006 met arbeid meer kan verdienen dan 65% van het zogenaamde maatmaninkomen.
1.2. Bij besluit van 12 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.
3. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij lijdt aan een niet werkende nier, hoge bloeddruk, duizeligheid, hoofdpijnen, terugkerende problemen aan haar enkel waardoor zij niet of nauwelijks kan lopen, wegrakingen als gevolg van epilepsie dan wel flauwvallen en ernstige rugklachten. De combinatie van klachten is zodanig ernstig dat zij daardoor niet in staat is om enige arbeid te verrichten. Daarnaast bestrijdt appellante de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. In dat kader voert zij aan dat de functie huishoudelijk medewerkster, met het oog op de bij aspect 1.9.9 aangenomen beperking ten aanzien van een verhoogd persoonlijk risico (werken op hoogten), niet medisch passend is omdat zij in deze functie één keer per week gebruik dient te maken van een trapje van drie treden.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende diepgaand en zorgvuldig is geweest, waarbij informatie van de behandelend sector is meegewogen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts Keus in zijn rapportage van 5 september 2007 afdoende onderbouwd dat sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden en dat bij het opstellen van de FML, op basis van de klachten zoals die konden worden geobjectiveerd, voldoende beperkingen zijn aangenomen. Blijkens zijn rapportage heeft Keus in zijn beoordeling meegenomen dat in 2004 sprake is geweest van een pre-eclampsie, waarna appellante in verband met een hypertensie en proteïnurie onder controle is gebleven van de internist, dat de bloeddruk inmiddels beter is geregeld, de nierfunctie normaal is en dat de proteïnurie langzamerhand is gedaald. Ook heeft hij rekening gehouden met een recidief ganglion van de rechter enkel, waarvoor met goed effect een proefimmobilisatie met gips is gegeven. Hij heeft ook de wegrakingen in zijn beoordeling betrokken. Ten aanzien van deze wegrakingen heeft Keus in zijn rapportage opgemerkt dat in eerdere medische stukken wordt gesproken van wegrakingen op basis van epilepsie, maar dat uit de informatie van de behandelend neuroloog blijkt dat waarschijnlijk geen sprake is van epilepsie, maar van psychogene aanvallen. Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd toegelicht dat zij voor deze wegrakingen momenteel wordt behandeld door een psychiater. Voor de stelling van appellante dat zij lijdt aan epilepsie vindt de Raad dan ook geen bevestiging in de aanwezige medische informatie. Dat zelfde geldt voor de door haar geclaimde ernstige rugklachten.
4.2. De Raad stelt vast dat Keus in zijn rapportage van 17 april 2009 heeft gereageerd op de door appellante in de beroepsprocedure ingebrachte informatie van de behandelend sector. De Raad acht deze reactie adequaat.
4.3. Naar aanleiding van vragen van de Raad ten aanzien van de bloeddruk van appellante heeft Keus in zijn rapportage van 3 november 2009 geantwoord dat de bloeddruk van 240/160, zoals die op 12 december 2006 is gemeten, niet consistent is met de bevindingen die door andere artsen voor en na die tijd zijn gedaan, dat rond de datum in geding wel sprake was van een verhoogde bloeddruk, maar dat daarmee ook rekening is gehouden in de FML aangenomen beperkingen. Ter zitting heeft appellante aangegeven zich met deze reactie te kunnen verenigen.
4.4. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat kan worden geacht om de functies te vervullen die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. In de functie huishoudelijk medewerkster (SBC-code 111333) is sprake van een signalering M bij het aspect 4.21.0, klimmen. In deze functie dient circa een keer per week een trapje met drie treden een paar keer op en af te worden gegaan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toegelicht dat deze belasting ten aanzien van het aspect klimmen is toegestaan omdat appellante op dit aspect niet medisch beperkt wordt geacht en geen sprake is van een substantiële overschrijding van de normaalwaarde. Een bijzondere belasting op het beperkt geachte aspect 1.9.9 komt niet voor in de functie huishoudelijk medewerkster, zodat er geen sprake is van een verhoogd persoonlijk risico. Deze functie is naar het oordeel van de Raad dan ook medisch passend.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. de Vos in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.