[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 maart 2008, 07/2086 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2009
Namens appellant heeft mr. A.H. Lanting, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Partijen zijn met kennisgeving niet verschenen.
1.1. Voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het Uwv besloten om appellant niet in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluit van 11 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) zijn appellants bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn beroepsgrond dat de bezwaarverzekeringsarts hem niet heeft onderzocht. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts in het geheel geen aandacht heeft besteed aan zijn psychische beperkingen. Tevens voert hij aan dat in de bezwaar- en beroepsfase ten onrechte geen bezwaararbeidskundig onderzoek is uitgevoerd. In dat kader heeft hij de Raad verzocht om ter beoordeling van de geschiktheid van de geduide functies een onafhankelijk arbeidsdeskundige te benoemen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts in het onderhavige geval kon afzien van nader lichamelijk onderzoek. Ook de Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische gegevens beschikte om te kunnen volstaan met een heroverweging van de medische grondslag van het besluit van 10 april 2007 op basis van de al beschikbare medische informatie.
4.2. De verzekeringsarts heeft blijkens het rapport van 28 februari 2007 als onderdeel van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek een psychisch onderzoek verricht. Dit heeft ertoe geleid dat de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 maart 2007 meerdere beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze beperkingen blijkens zijn rapportages van 9 juli 2007 en 14 mei 2008 gemotiveerd onderschreven. Daarmee heeft de bezwaarverzekeringsarts, anders dan appellant veronderstelt, wel aandacht besteed aan diens psychische beperkingen.
4.3. Ten aanzien van appellants beroepsgrond dat ten onrechte geen beoordeling door een bezwaararbeidsdeskundige heeft plaats gevonden, herhaalt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 3 januari 2006, LJN: AU9061, zijn oordeel dat het heroverwegingskarakter van de bezwaarprocedure niet met zich brengt dat de arbeidskundige aspecten van het primaire besluit in iedere bezwaarprocedure beoordeeld dienen te worden door een bezwaararbeidsdeskundige. Indien er geen expliciete arbeidskundige bezwaren zijn aangevoerd of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat de geselecteerde functies voldoen aan de aangegeven beperkingen en/of andere vastgestelde voorwaarden dan wel dat de rekenkundige beoordeling juist is uitgevoerd, behoeft de zaak niet te worden voorgelegd aan de bezwaararbeidsdeskundige. Appellant heeft in het onderhavige geval geen expliciete arbeidskundige gronden aangevoerd. Bovendien heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 4 april 2007 op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat appellant de geduide functies met zijn beperkingen kan verrichten. Ten aanzien van de functie elektromonteur (SBC-code 267010) overweegt de Raad dat deze, gelet op de in deze functie voorkomende trillingsbelasting, mogelijk niet geschikt is voor appellant. Echter, wat hier ook van zij, ook zonder deze functie resteren voldoende passende functies om de schatting te kunnen dragen.
4.4. De Raad ziet gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 geen aanleiding om een onafhankelijk arbeidskundig deskundige te benoemen.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.