Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7361

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4062 WSW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet sociale werkvoorzieningWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek indicatie Wsw wegens voldoende arbeidsvermogen buiten Wsw-doelgroep

Appellante verzocht om een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), welke door de raad van bestuur werd afgewezen omdat zij niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. De raad concludeerde dat appellante in staat is lichte uitvoerende werkzaamheden te verrichten die fysiek niet te zwaar zijn en zittend kunnen worden uitgevoerd in een normale werkomgeving.

In bezwaar en beroep stelde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen zoals duizeligheid, hoofdpijn en tintelingen, en dat zij niet lichamelijk was onderzocht door de GGD-artsen die een brief hierover hadden opgesteld. De Raad overwoog dat de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen voldoende hadden betrokken bij hun beoordeling, mede op basis van medische codes en informatie uit de GGD-brief.

De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de bedrijfsarts te betwijfelen en oordeelde dat de klachten van appellante niet tot een andere conclusie leiden. Ook werd geen strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wsw-indicatie bevestigd.

Uitspraak

08/4062 WSW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juni 2008, 07/3678 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: raad van bestuur)
Datum uitspraak: 10 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Küçükünal, advocaat te ’s-Gravenhage. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.A.M. Stapert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Stb. 2008, 600, de raad van bestuur in de plaats getreden van de raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de raad van bestuur van de CWI.
2. Voor een meer uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Op 29 september 2005 heeft appellante zich aangemeld bij de CWI voor het verkrijgen van een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (hierna: Wsw). Bij besluit van 9 mei 2006 heeft de raad van bestuur dit verzoek afgewezen omdat appellante niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat appellante in staat is tot lichte uitvoerende werkzaamheden die fysiek niet te zwaar zijn en zittend kunnen worden uitgevoerd en die buiten de Wsw in een normale werkomgeving gerealiseerd kunnen worden. Als mogelijke functies zijn genoemd assemblage-/montagemedewerker, stikster, wikkelaar, inpakster en plantenstekster, waarbij is vermeld dat de nodige aanpassingen van een werkgever vergbaar zijn. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
In bezwaar heeft een Multidisciplinair Overleg van een arts, psycholoog en arbeids-deskundige met inachtneming van informatie uit de behandelend sector van appellante, waaronder de brief van 14 juli 2005 van prof. dr. A. Brand, hematoloog bij het Leids Universitair Medisch Centrum, de beperkingen van appellante nader gepreciseerd. Hierdoor zijn de maatregelen en voorzieningen ten aanzien van de door appellante te verrichten werkzaamheden nader aangevuld. Dit heeft niet geleid tot wijziging van de genoemde functies die appellante in de normale werkomgeving zou kunnen verrichten.
Bij het bestreden besluit van 20 april 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de functiemogelijkhedenlijst voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. De door appellante in beroep overgelegde brief van 3 augustus 2007 van
I.A. Andhyisware, arts en W. van Bork, arts, beiden werkzaam bij GGD Hollands Midden, leidt de rechtbank niet tot twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de bedrijfsarts. Volgens de rechtbank komt uit de GGD-brief niet naar voren of appellante door de artsen is onderzocht, noch dat appellante aan een aandoening lijdt waarmee geen rekening is gehouden en op grond waarvan ruimere beperkingen hadden moeten worden aangenomen.
4. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet lichamelijk zou zijn onderzocht door de GGD-artsen die de brief van 3 augustus 2007 hebben opgesteld. Appellante meent dat de raad van bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van duizeligheid, hoofdpijn en tintelingen die de GGD-artsen hebben genoemd. Voorts hebben de raad van bestuur noch de rechtbank gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere informatie bij die GGD-artsen in te winnen, ten gevolge waarvan er volgens appellante sprake is van strijd met het zorgvuldigheid- en het motiveringsbeginsel.
5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
5.1. Evenals de rechtbank heeft overwogen is de Raad van oordeel dat op grond van de brief van de GGD-artsen van 3 augustus 2007, noch op grond van de overige medische informatie, kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Ten aanzien van de klachten die de GGD-artsen hebben genoemd heeft de raad van bestuur nog toegelicht dat de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige deze klachten gezien de codes die staan vermeld in de CWI terug-rapportage van 6 maart 2007 voldoende in hun beschouwingen en advisering hebben betrokken, nu die codes onder meer zien op sensore stoornissen aan het hoofd die zich kunnen uiten in hoofdpijn en op stoornissen in de vestibulaire en evenwichtsfuncties die zich kunnen uiten in duizeligheid. Mede gelet op deze toelichting leiden de door de GGD-artsen genoemde klachten de Raad niet tot twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de bedrijfsarts.
5.2. Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat uit de GGD-brief van 3 augustus 2007 niet naar voren komt of appellante door de GGD-artsen is onderzocht, kan de Raad die overweging slechts onderschrijven. Daarmee is immers niet gezegd dat de GGD-artsen appellante niet hebben onderzocht. Ook biedt de conclusie van de GGD-artsen, inhoudende dat appellante waarschijnlijk niet in staat is tot loonvormende arbeid, de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante met inachtneming van de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen de door de arbeidsdeskundige genoemde functies niet in een normale werkomgeving zou kunnen verrichten.
6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD