ECLI:NL:CRVB:2009:BK8139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- M. Greebe
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken sociale binding met Nederland tijdens verblijf in Egypte
Appellant, geboren in 1988 en gehandicapt vanaf geboorte, verhuisde in 1990 naar Nederland en vertrok in 2003 met zijn moeder en zus naar Egypte om daar zijn middelbare school af te maken. Tijdens deze periode was hij uitgeschreven uit de Nederlandse basisadministratie. Hij keerde in 2006 terug naar Nederland om een beroepsopleiding te volgen.
Het UWV weigerde een Wajong-uitkering omdat appellant niet kon aantonen dat hij gedurende zijn verblijf in Egypte zijn sociale binding met Nederland had behouden, wat noodzakelijk is voor continuïteit van ingezetenschap. De rechtbank vernietigde het besluit omdat het UWV niet had onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren om af te wijken van het beleid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van medische behandeling in Nederland, verblijf in Nederland tijdens vakanties, of frequent contact dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland hield. Ook het feit dat hij terug kon keren naar het huis van zijn vader is onvoldoende. Hierdoor begint zijn ingezetenschap opnieuw op 21 augustus 2006, toen hij 17 was, en is hij niet gerechtigd tot een Wajong-uitkering op grond van het beleid.
Appellant voerde aan dat zijn situatie bijzonder was en dat het UWV van het beleid had moeten afwijken, maar de Raad oordeelt dat de omstandigheden niet zodanig afwijken van andere gevallen om een uitzondering te rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van 23 januari 2008 blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.