ECLI:NL:CRVB:2009:BK8238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4497 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die sinds 1998 wegens rugklachten arbeidsongeschikt was, ontving een WAO-uitkering die in 2007 door het UWV werd ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet over de benodigde bekwaamheden beschikte voor de functies die het UWV passend achtte, namelijk 'clustermanager wonen & zorg' en 'arbeidsdeskundige'. Zij stelde dat bekwaamheden meer omvatten dan opleiding en ervaring, en dat zij onvoldoende leidinggevende capaciteiten had.

De Raad stelde vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richtte op de arbeidskundige grondslag, waarbij de medische grondslag onbetwist bleef. Na beoordeling concludeerde de Raad dat appellante geschikt was voor de genoemde functies, mede gelet op de aard van de taken, haar ervaring met het opleiden van stagiaires en het ontbreken van beperkingen in haar sociaal functioneren.

De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/4497 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 juni 2008, 08/2195
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Voor appellante is daarbij mr. Klijnstra, voornoemd, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 5 november 1998 in verband met rugklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als fysiotherapeute. Het Uwv heeft appellante ingaande
4 november 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 20 september 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingaande 21 november 2007 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot in zijn rapportage van 19 mei 2008 genoegzaam heeft aangetoond dat de voor appellante geduide functies passend zijn.
3. Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat de functies ‘clustermanager wonen & zorg’ en ‘arbeidsdeskundige’ passend zijn voor haar. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de door haar in geding gebrachte rapportage van de registerarbeidsdeskundige M.R. Frieling van 22 mei 2008, aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat zij over de benodigde bekwaamheden beschikt om die functies uit te oefenen. Appellante heeft daartoe gesteld dat bekwaamheden meer behelzen dan alleen opleiding en ervaring en dat het Uwv derhalve niet uitsluitend op grond van de door haar gevolgde HBO-opleiding fysiotherapie en applicatiecursussen en het begeleiden van stagiaires heeft kunnen aannemen dat zij deze functies uit kan oefenen. Appellante heeft aangegeven dat het haar aan leidinggevende capaciteiten ontbreekt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vooreerst vast dat, gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting, het hoger beroep van appellante zich richt tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Dit betekent dat, nu appellante in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, met de rechtbank van de juistheid van de medische grondslag - en derhalve de voor appellante vastgestelde belastbaarheid - moet worden uitgegaan.
4.2. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de arbeidskundige grondslag heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat appellante geschikt te achten is voor de functies ‘clustermanager wonen & zorg’ en ‘arbeidsdeskundige’. De Raad overweegt hiertoe dat uit de beschrijving van de inhoud en de taken van de functie ‘clustermanager wonen & zorg’ blijkt dat de taak van de clustermanager voor 25% bestaat uit leiding geven aan het personeel en voor 75% uit andere taken dan leiding geven. De directe aansturing van de verpleegkundigen, fulltime en parttime verzorgenden en assistenten vindt plaats door 3 tot 4 unitleiders. De clustermanager wordt in het leidinggeven dus bijgestaan door de unitleiders. Voor de functie worden door de werkgever voorts geen ervaringseisen gesteld. Nu appellante voldoet aan de gestelde functie-eisen, als fysiotherapeute ervaring heeft opgedaan met het aansturen dan wel opleiden van stagiaires, gelet op haar uitgebreide werkervaring als fysiotherapeute bekend is met het onderhouden van contacten in het werkveld van de gezondheidszorg en er in de Functionele Mogelijkheden Lijst geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, gaat de Raad er van uit dat appellante de functie van clustermanager kan vervullen. De Raad is tot slot niet gebleken dat appellante niet over de geschikte competenties zou beschikken om de functie van arbeidsdeskundige uit te oefenen. De Raad is derhalve evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste arbeidskundige grondslag berust.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.C.A. Wit.
TM