ECLI:NL:CRVB:2009:BK8241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens ontbreken medische beperkingen
Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich op 2 augustus 2006 ziek met diverse lichamelijke klachten. Na meerdere onderzoeken door verzekeringsartsen en medische specialisten werd vastgesteld dat er geen objectiveerbare beperkingen waren die het verrichten van zijn arbeid onmogelijk maakten. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op 7 januari 2008 dat appellant in staat was tot arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond, waarbij zij de medische rapportages en het arbeidskundig onderzoek als onderbouwing gebruikte. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep zich aangesloten bij dit oordeel en stelde dat de aanvullende medische informatie geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad benadrukte dat de diagnose cervicobrachialgie reeds bekend was en dat neurologisch onderzoek, inclusief MRI-scans, geen afwijkingen toonde. Op grond hiervan werd het besluit van 11 september 2007, waarmee het ziekengeld werd beëindigd, bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is met ingang van 12 september 2007 terecht beëindigd.