ECLI:NL:CRVB:2009:BK8248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting arbeidsinkomsten en terugvordering WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante kreeg vanaf oktober 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV ontdekte via een Duits opsporingsonderzoek dat zij sinds mei 2001 in Duitsland werkte en dit verzweeg, waardoor onverschuldigd WAO-uitkering werd betaald.
De loonadministratie van haar Duitse werkgever, die door appellante werd erkend, vormde de basis voor de korting van arbeidsinkomsten en terugvordering van ruim €10.000. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de loonadministratie onbetrouwbaar was omdat illegale werknemers uren en loon aan haar zouden hebben toegeschreven, ondersteund door verklaringen van collega’s.
De Raad oordeelde dat appellante haar mededelingsplicht had geschonden en dat het aan haar was om ondubbelzinnig bewijs te leveren dat de loonadministratie onjuist was. Zij bracht dit bewijs niet; haar verklaringen zagen niet op de gewerkte uren of loonbetalingen. Haar verzoek om de behandeling aan te houden om haar werkgever als getuige te horen werd afgewezen wegens te late indiening en gebrek aan redelijke verwachting van succes.
Daarom bevestigde de Raad het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Zutphen, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de korting en terugvordering door het UWV worden bevestigd.