ECLI:NL:CRVB:2009:BK8251

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5369 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks bezwaren appellant over medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, voormalig plaatwerker, ontving sinds 1994 een gedeeltelijke WAO-uitkering wegens knieklachten en psychische beperkingen. In 2007 herzag het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid naar 25-35%, wat appellant betwistte. Na bezwaar stelde het UWV de uitkering opnieuw vast op 35-45% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde tegen de medische grondslag en de geschiktheid van de functies die het UWV als passend achtte. Hij stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische toestand en gewrichtsklachten.

De Raad concludeerde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd, inclusief de betrokkenheid van psychologische expertise uit 2001. De functies parkeercontroleur, portier, toezichthouder en wikkelaar werden medisch geschikt bevonden, waarbij de Raad toelichtte dat de fysieke en psychische eisen binnen de beperkingen van appellant vielen.

De Raad zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

08/5369 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2008, 07/3267
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft desgevraagd een nader stuk van het Uwv ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als plaatwerker bij een autoschadebedrijf voor 40 uur per week. In 1994 heeft hij zich ziek gemeld wegens knieklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is hem een gedeeltelijke uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 8 april 2001 is de uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld. Op basis van de bevindingen en conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2007 de WAO-uitkering van appellant herzien per 6 juni 2007, waarbij is uitgegaan van een afname van de mate van arbeidsongeschiktheid naar de klasse 25 tot 35%.
1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft appellant aangegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting en hebben daarna bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal en bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband dossieronderzoek verricht. Bij besluit van 26 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv om arbeidskundige reden het bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de uitkering per 6 juni 2007 opnieuw vastgesteld uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid naar de klasse 35 tot 45%.
2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich ten eerste tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant meent dat ten onrechte geen overleg is gepleegd met zijn huisarts en dat ten onrechte geen overweging is gewijd aan het in 2001 uitgevoerde psychologisch onderzoek, waaruit naar voren kwam dat hij weinig adequate copingvaardigheden had en een snelle geprikkeldheid. Tevens meent hij dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gewrichtsklachten. Voorts acht appellant zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in staat de door het Uwv in aanmerking genomen functies uit te oefenen.
3.2. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van 6 juni 2007 van zijn bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld aan de Raad toegezonden. Deze reactie houdt in dat zowel het onderzoek door de primaire verzekeringsarts E.J.M. van Paridon als dat van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal zorgvuldig is geweest. Volgens Groeneveld heeft Van Paridon er blijk van gegeven dat hij de psychologische expertise uit 2001 bij zijn onderzoek heeft betrokken. Uit die expertise komt naar voren dat er vanuit psychologisch oogpunt destijds geen aanleiding was tot het aannemen van arbeidsbeperkingen. Voor het opvragen van nadere informatie of het zien of onderzoeken van appellant op het spreekuur door Admiraal in de bezwaarfase was volgens Groeneveld geen aanleiding, omdat Van Paridon appellant zelf uitgebreid heeft onderzocht. Groeneveld heeft voorts toegelicht dat vanwege appellants gewrichtsaandoening forse beperkingen zijn aanvaard in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat de medische grondslag betreft, kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen en conclusies van de artsen Van Paridon en Admiraal. De Raad voegt daaraan nog toe dat Van Paridon ook de in 2001 gestelde diagnose volgens de DSM-classificatie in zijn rapport heeft genoemd en dat hij zelf oriënterend psychisch onderzoek heeft uitgevoerd. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen grond voor de stelling dat de FML, zoals deze in de bezwaarfase is opgesteld, de beperkingen van appellant op fysiek of psychisch vlak zoals aanwezig op 6 juni 2007 onjuist zou weergeven.
4.2. Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat appellant de functies van parkeercontroleur (Sbc-code 332022), portier, toezichthouder (Sbc-code 342021) en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) theoretisch zou kunnen vervullen. De Raad is van oordeel dat deze functies op 6 juni 2007 in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht, gelet op de vastgestelde functionele beperkingen en de daarbij gegeven arbeidskundige toelichtingen door de arbeidsdeskundige Stroband. Hierbij merkt de Raad nog op dat de functie van parkeercontroleur bestaat uit het toezicht houden in een parkeergarage en dat hierbij de problemen waarmee de functionaris geconfronteerd wordt voornamelijk praktisch van aard zijn, zodat voor zover een gebrek aan coping al een reëel probleem voor appellant is, daar (vrijwel) geen beroep op wordt gedaan. Lopen vindt in deze functie anders dan appellant meent, elk uur slechts tien minuten achtereen plaats in verband met het maken van een controlerondje, hetgeen op de in geding zijnde datum ruim binnen zijn mogelijkheden blijft. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat de functies niet gehanteerd hadden mogen worden.
4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) F. Heringa.
IvR