ECLI:NL:CRVB:2009:BK8259

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6077 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 4 juli 2007 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het bezwaar werd gegrond verklaard, waarna het besluit werd herzien en de uitkering werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze herziening ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar belastbaarheid werd overschat en dat zij niet in staat is reguliere arbeid te verrichten, hetgeen ook door het CWI werd bevestigd met een WSW-indicatie. Daarnaast stelde zij dat de functies waarop de schatting was gebaseerd medisch ongeschikt voor haar waren.

De Raad overwoog dat de medische beoordeling door een UWV-arts zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een bezwaarverzekeringsarts die de fysieke beperkingen zelfs aanscherpte. Appellante bracht geen objectieve medische gegevens aan die twijfel aan de juistheid van deze beperkingen konden doen rijzen. De WSW-indicatie is gebaseerd op andere criteria dan de WAO en kan daarom niet als tegenbewijs dienen.

De Raad achtte de functies waarop het besluit was gebaseerd medisch geschikt voor appellante, waarbij de arbeidskundige toelichtingen over belastende aspecten zoals staan en blootstelling aan soldeerdampen afdoende waren. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/6077 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2008, 08/315 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Leijstra, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. van den Buijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 3 mei 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 juli 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 12 december 2007 gegrond is verklaard, het besluit van 3 mei 2007 is herroepen en de uitkering per 4 juli 2007 is herzien en berekend naar de klasse 15 tot 25%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 december 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat. Zij is niet in staat reguliere arbeid te verrichten, hetgeen het CWI heeft bevestigd middels het toelaten van appellante tot de kring van personen van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zijn te achten.
3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante is door een arts van het Uwv onderzocht, die vervolgens naar aanleiding van zijn bevindingen beperkingen ten aanzien van de fysieke en psychische belastbaarheid heeft aangenomen, welke beperkingen hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en informatie van de behandelende sector betrokken bij zijn onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen reden gezien de psychische belastbaarheid aan te passen. De fysieke beperkingen zijn wel aangescherpt en een nieuwe FML is opgesteld. Het is de Raad niet gebleken dat dit aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch standpunt onjuist is en dat de belastbaarheid van appellante in laatstbedoelde FML is overschat. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectief medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Het door appellante ingebrachte WSW-indicatiebesluit van 22 augustus 2008 kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu een dergelijke indicatie is gebaseerd op geheel andere criteria dan die welke in het kader van de WAO worden gehanteerd.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De gegeven arbeidskundige toelichtingen met betrekking tot het aspect “staan” en het eventueel voorkomen van soldeerdampen in de functie productiemedewerker industrie, acht de Raad afdoende.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) F. Heringa.
IvR