Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8263

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/2753 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin werd bevestigd dat hij niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Het UWV had eerder op 7 maart 1991 geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid. Deze beslissing was in latere besluiten en uitspraken onherroepelijk verklaard.

Appellant diende nieuwe medische stukken in die dateren van na de oorspronkelijke beslissingsdatum, maar de Raad oordeelde dat deze geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die het UWV verplichten het oorspronkelijke besluit te heroverwegen. De rechtbank had dit standpunt onderschreven en het bezwaar ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering om appellant een WAO-uitkering toe te kennen blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

09/2753 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2009, 08/2864 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het geding is aan de orde gesteld op 19 november 2009. Partijen zijn - het Uwv met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
1.2. De Raad gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.
1.3. Bij besluit van 7 maart 1991 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat hij niet arbeidsongeschikt in de zin van deze wetten werd geacht. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.4. Bij besluiten van 20 september 1999 en 3 september 2003 heeft het Uwv geweigerd van dit besluit terug te komen. Het beroep tegen het besluit van 3 september 2003 is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Raad heeft, bij uitspraak van 9 maart 2007 (LJN BA0266), deze uitspraak in stand gelaten.
1.5. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het Uwv opnieuw geweigerd terug te komen van het besluit van 7 maart 1991. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 25 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat appellant geen nieuwe feiten heeft aangedragen op grond waarvan het Uwv gehouden zou zijn terug te komen van het besluit van 7 maart 1991.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt onderschreven.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. De Raad stelt vast dat zowel de besluiten van 7 maart 1991 en 20 september 1999, als de uitspraak van de Raad van 9 maart 2007, in rechte onaantastbaar zijn geworden. Ter onderbouwing van zijn verzoek tot herziening heeft appellant opnieuw een groot aantal medische stukken ingezonden die dateren van ruim na de datum in geding, 10 april 1991. Deze medische stukken hebben ook betrekking op de gezondheidstoestand van appellant ruim na 10 april 1991. Niet gezegd kan worden dat appellant hiermee nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft vermeld die het Uwv hadden moeten nopen het besluit van 7 maart 1991 inhoudelijk te heroverwegen.
4. De rechtbank heeft dan ook terecht het bestreden besluit in stand gelaten.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.
(get.) H.J. Simon.
(get.) W. Altenaar.
mm