ECLI:NL:CRVB:2009:BK8266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6918 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, die sinds 1999 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 80-100%. Deze werd in 2002 herzien naar 45-55%. In 2007 trok het Uwv de uitkering in na onderzoek waaruit bleek dat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij in beroep ging bij de rechtbank Utrecht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit berustte op een adequate medische en arbeidskundige grondslag.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen. Ook stelde hij dat de functie van orthopedisch instrumentmaker niet passend was vanwege het opleidingsniveau. De Raad overwoog dat de medische beperkingen zorgvuldig en juist waren vastgesteld en dat appellant onvoldoende nieuwe medische gegevens had ingebracht om het oordeel te wijzigen. Tevens concludeerde de Raad dat appellant met zijn LTS- en KMBO-diploma's en technische vervolgopleidingen voldeed aan het vereiste opleidingsniveau voor de functie.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het Uwv. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door J. Riphagen op 30 december 2009.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

08/6918 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 oktober 2008, 07/2981 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts gevoegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Vingerling, kantoorgenoot van mr. drs. Boumanjal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 15 september 1999 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als technicus binnendienst. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft deze uitkering vervolgens per 27 mei 2002 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant na een verzekeringskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van 17 juli 2007 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2007 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit op een adequate medische grondslag berust. Het medisch onderzoek, waarbij informatie van de behandelaars van appellant is betrokken, is zorgvuldig verricht en door appellant zijn er geen objectief medische aanknopingspunten geboden om te twijfelen aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met name voldoet appellant aan het in de functie van orthopedisch instrumentmaker gevraagde opleidingsniveau.
4.1. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij heeft in hoger beroep zijn grief herhaald dat het niet meer aannemen van een urenbeperking is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek. Voorts heeft appellant wederom aangevoerd dat er geen rekening is gehouden met zijn lichamelijke klachten. Tot slot is de functie van orthopedisch instrumentmaker ongeschikt omdat er niet wordt voldaan aan het vereiste opleidingsniveau.
4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens genoegzaam steun voor het oordeel dat de medische beperkingen zorgvuldig en juist zijn vastgesteld. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht op grond waarvan dient te worden afgeweken van het oordeel van de rechtbank. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de medische grondslag.
5.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Door het Uwv is genoegzaam toegelicht dat appellant gelet op het door hem behaalde LTS- en KMBO-diploma en de diverse door hem gevolgde (technische) vervolgopleidingen - merendeels afgerond met een diploma - over een voldoende opleidingsniveau beschikt om de functie van orthopedisch instrumentmaker, waarvoor VMBO-niveau (beroepsgericht richting techniek) wordt gevraagd, naar behoren te kunnen uitoefenen.
5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.
5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) F. Heringa.
IvR