ECLI:NL:CRVB:2009:BK8290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5142 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek bij schoonmaker

Appellant was werkzaam als schoonmaker bij twee werkgevers voor 10,5 uur per week toen hij zich ziek meldde met rug- en psychische klachten. Na meerdere medische onderzoeken verklaarde de verzekeringsarts hem per 18 april 2007 hersteld, waarna het UWV het recht op ziekengeld beëindigde.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde na onderzoek dat er geen ernstige afwijkingen waren en dat appellant zijn werk kon hervatten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts voldoende op de hoogte was van de aard en zwaarte van het werk. Ook werd meegewogen dat appellant niet onder behandeling was voor spanningsklachten en geen medicatie gebruikte. De enkele mededeling dat appellant werkzaam is in WSW-verband was onvoldoende om het oordeel te wijzigen.

Het hoger beroep werd verworpen en het besluit van het UWV om het ziekengeld te beëindigen bleef van kracht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft gehandhaafd.

Uitspraak

08/5142 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 07/5424 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Voor appellant is verschenen mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was als schoonmaker werkzaam in dienst van twee werkgevers voor in totaal 10,5 uur per week toen hij zich per 25 november 2005 voor dit werk heeft ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Tijdens het laatste spreekuur van 16 april 2007 heeft de verzekeringsarts hem per 18 april 2007 hersteld verklaard voor zijn werk als schoonmaker. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 18 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Het tegen het besluit van 16 april 2007 gerichte bezwaar van appellant is na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza bij besluit van 6 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Mirza.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden tegen het bestreden besluit gehandhaafd en verzocht deze als herhaald en ingelast te beschouwen in het onderhavige geding. Daarbij heeft appellant aangetekend dat zijn slechthorendheid in toenemende mate heeft geleid tot spanningsklachten, zeker in relatie tot de omstandigheid dat hij
per 1 april 2007 werkloos is geworden. De beperkingen van appellant beletten hem tot het verrichten van reguliere arbeid, hetgeen volgens appellant blijkt uit het feit dat hij inmiddels werkzaam is in WSW-verband.
3.2. De Raad overweegt als volgt.
3.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
3.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. Daarbij overweegt de Raad allereerst dat appellant, zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende werkomschrijving, voor het laatst heeft gewerkt als schoonmaker in dienst van twee schoonmaakbedrijven voor in totaal 10,5 uur per week. In deze door appellant ingevulde werkomschrijving is de belastbaarheid in de desbetreffende werkzaamheden duidelijk beschreven. Nu uit de medische kaart blijkt dat de verzekeringsarts op de hoogte was van deze werkzaamheden, die tevens in het bestreden besluit uitgebreid worden beschreven, vermag de Raad – met de rechtbank – niet in te zien dat er bij de (bezwaar)verzekeringsarts geen voldoende duidelijk beeld bestond van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden van het laatst verrichte werk van appellant.
3.5. De bezwaarverzekeringsarts Mirza heeft appellant op het spreekuur van 12 juni 2007 onderzocht en was daarbij op de hoogte van de bij appellant bestaande slechthorendheid en de spanningsklachten als gevolg van zijn zorgen om het gezin, inkomen en werk. De informatie van de huisarts van 13 juni 2007 – waaruit blijkt dat appellant in februari 2006 is verwezen naar de fysiotherapeut in verband met lage rugklachten en dat door de psychiater geen psychose is vastgesteld – is door Mirza, zoals blijkt uit de rapportage van 2 juli 2007, bij de beoordeling meegewogen. Zij heeft geconcludeerd dat ernstige afwijkingen nooit zijn vastgesteld en daarbij aangegeven dat ook bij eigen onderzoek sprake was van een ongestoorde rugbeweeglijkheid, waarbij geen aanwijzingen waren voor een radiculaire prikkeling. Met betrekking tot de spanningsklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat appellant voor deze klachten niet onder behandeling is en hiervoor ook geen medicijnen gebruikt. Nu ook bij het eigen onderzoek geen ernstige psychopathologie is waargenomen, kan niet worden geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant onjuist is ingeschat. Hij moet derhalve in staat worden geacht zijn werk als schoonmaker te verrichten, aldus bezwaarverzekeringsarts Mirza. Nu in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden. De enkele mededeling dat appellant thans werkzaam is in WSW-verband acht de Raad in het licht van het bovenstaande onvoldoende.
4. Hetgeen onder 3.3 tot en met 3.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 18 april 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.C.A. Wit.
EK