AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging onbevoegdverklaring rechtbank inzake voorschot op AOW-uitkering vóór 65-jarige leeftijd
Appellant vroeg bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) een voorschot op zijn AOW-uitkering aan, omdat hij ziek is en voor zijn gezin moet zorgen. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet gericht was tegen een besluit, maar tegen de voorwaarden voor AOW-uitkering.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om het beroep te behandelen, omdat de brief van appellant niet als een bezwaarschrift kon worden aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Appellant was niet aanwezig bij de zitting van de Raad, terwijl de Svb werd vertegenwoordigd. De Raad stelde vast dat de Svb alsnog een besluit had genomen op het verzoek van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak benadrukt de wettelijke vereisten voor bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bevestigt dat het verzoek van appellant niet voldeed aan deze vereisten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onbevoegdverklaring van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitspraak
08/4168 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2008, 07/265 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 31 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadien nadere brieven ingezonden.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 6 november 2009 een besluit van gelijke datum aan de Raad doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is aldaar - zoals tevoren aangekondigd - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1969, heeft zich bij brief van 22 juli 2005 tot de Svb gewend met een verzoek om informatie over de rechten op uitkering die hij heeft opgebouwd in de periode van 1990 tot 1993, toen hij in Nederland werkzaamheden verrichtte.
1.2. Nadat appellant desgevraagd nadere gegevens had verstrekt omtrent zijn verblijf en arbeidsverleden in Nederland en navraag was gedaan bij de gemeente Breda en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, heeft de Svb bij beschikking van 7 september 2006 aan appellant bericht dat hij van 4 november 1991 tot en met 7 juni 1993 voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd is geweest. Op grond van deze verzekerde periode zou appellant op 65-jarige leeftijd recht hebben op 4% van het volledige AOW-pensioen.
1.3. Bij brief van 7 oktober 2006 heeft appellant de Svb gevraagd, of het mogelijk is dat hij nu al, vóór zijn 65-ste jaar, een bedrag kan ontvangen om van te leven. Hij is namelijk ziek en heeft kinderen. Na zijn 65-ste verjaardag zou het bedrag dan van zijn pensioen kunnen worden ingehouden.
1.4. Bij beschikking op bezwaar van 14 december 2006 heeft de Svb het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het bezwaar niet is gericht tegen het besluit van 7 september 2006, maar tegen de voorwaarden die in Nederland gelden om in aanmerking te komen voor een AOW-pensioen.
2. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het door appellant bij haar ingestelde beroep kennis te nemen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:
“Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Uit artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1 vanPro de Awb volgt dat bij de rechtbank beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, nadat eerst bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan.
Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van eiser van 7 oktober 2006 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift in de zin van de Awb, aangezien met die brief geen bezwaar wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de Awb. In deze brief heeft eiser immers geen voorziening gevraagd tegen het besluit van verweerder van 7 september 2006. Dat besluit heeft eiser slechts aanleiding gegeven een verzoek te doen om een voorschot te ontvangen op zijn AOW-uitkering.
Nu de brief van 7 oktober 2006 niet als een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb kan worden aangemerkt, kan het naar aanleiding van die brief genomen besluit - het thans bestreden besluit - ook niet aangemerkt worden als een beslissing op bezwaar, waartegen beroep kan worden ingesteld.
De rechtbank, Sector Bestuursrecht, is daarom, op grond van het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid en 7:1 van de Awb, niet bevoegd om van het inleidende beroep kennis te nemen. Zij dient zich derhalve onbevoegd te verklaren.
De rechtbank wijst verweerder er op dat hij nog geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op het verzoek van eiser van 7 oktober 2006. Het ligt in de rede dat verweerder dit alsnog doet.”.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij het door hem opgebouwde AOW-pensioen vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd uitbetaald wenst te krijgen in verband met zijn ziekte en het onderhouden van zijn gezin.
4.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde, hierboven onder 2 aangehaalde, overwegingen. Hij stelt voorts vast dat de Svb bij het in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit van 6 november 2009 alsnog heeft beslist op het verzoek van appellant van 7 oktober 2006.
4.2. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.
(get.) H.J. Simon.
(get.) W. Altenaar.
NK
III. BESCHEID
Der Centrale Raad van Beroep,
Entscheidet:
Das angefochtene Urteil ist zu bestätigen.
Dies ist das von H.J. Simon, Jurist, der den Vorsitz führte und, als Mitglieder des Gerichts und in Gegenwart von W. Altenaar als Protokollführer am 31 Dezember 2009 öffentlich verkündete Urteil.