ECLI:NL:CRVB:2009:BK8788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- J.Th. Wolleswinkel
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beëindiging waarnemingstoeslag na afloop bemiddelingsperiode bij RAP-status
Appellant was vanaf 1 januari 2000 werkzaam bij het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB) en nam van 1 augustus 2001 tot 2 maart 2006 de functie van waarnemer waar, waarvoor hij een waarnemingstoeslag ontving. Zijn oorspronkelijke functie werd per 1 januari 2003 opgeheven, waarna hem de RAP-status werd toegekend met een garantiebepaling dat zijn bezoldiging, inclusief waarnemingstoeslag, gedurende maximaal tweeënhalf jaar vanaf 1 juli 2003 niet zou wijzigen.
In maart 2006 werd de ingangsdatum van zijn RAP-status gewijzigd naar 1 maart 2006, maar zonder nieuwe garantie op waarnemingstoeslag. Het college besloot de waarnemingstoeslag per 1 oktober 2006 stop te zetten, omdat appellant vanaf 2 maart 2006 geen werkzaamheden meer voor het GVB verrichtte. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de garantiebepaling slechts tot 1 januari 2006 gold en dat op grond van artikel 422, eerste lid, ARA alleen aanspraak op waarnemingstoeslag bestaat bij daadwerkelijke waarneming. Omdat appellant na 1 oktober 2006 niet meer waarnam, had hij geen recht op voortzetting van de toeslag.
De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: De waarnemingstoeslag van appellant is terecht per 1 oktober 2006 stopgezet wegens het ontbreken van daadwerkelijke waarneming en het verlopen van de garantiebepaling.