Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6429 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Sociale Dienst WalcherenArt. 7:11 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:84 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake toeslag bij woningdeling in bijstandsuitkering

De Sociale Dienst Walcheren heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg die het besluit tot toekenning van een toeslag bij woningdeling in het kader van de bijstandsuitkering vernietigde. De rechtbank oordeelde dat de gemeente onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke situatie van betrokkene, die een kamer huurt bij zijn broer, en dat een huisbezoek noodzakelijk was om te beoordelen of sprake was van een bijzonder geval.

De gemeente verzocht om een voorlopige voorziening om schorsing van de uitspraak te verkrijgen, stellende dat het forfaitaire toeslagpercentage van 10% passend is en dat een huisbezoek niet noodzakelijk is vanwege privacyoverwegingen en jurisprudentie. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen spoedeisend belang is dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het dictum van de rechtbank niet impliceert dat de toeslag zonder meer verhoogd moet worden en dat de gemeente onder voorbehoud van de uitkomst van het hoger beroep een nieuw, zorgvuldig gemotiveerd besluit kan nemen. Er was geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de bodemprocedure kan worden afgewacht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

09/6429 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Walcheren (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 november 2009, 09/123 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
verzoeker
Datum uitspraak: 5 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft verzoeker betrokkene over de periode vanaf 18 augustus 2008 tot en met 2 november 2008 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande en verhoogd met een toeslag van 10% van het minimumloon op grond van artikel 3, derde lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Sociale Dienst Walcheren (hierna: de Verordening).
1.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2008 in zoverre gegrond verklaard dat alsnog bijstand over de periode vanaf 5 augustus 2008 tot 18 augustus 2008 wordt toegekend. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verzoeker overwogen dat betrokkene een kamer huurt in de woning van zijn broer met als gevolg dat hem een toeslag van maximaal 10% van het minimumloon toekomt omdat hij de noodzakelijke kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk kan delen met iemand die zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 14 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb en verzoeker opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2008 te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker bij het besluit van 14 januari 2009 niet op het als een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule op te vatten bezwaar van betrokkene is ingegaan en aldus heeft nagelaten op een van de bezwaargronden te beslissen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu betrokkene expliciet heeft gewezen op omstandigheden, afwijkend van de situatie van het kunnen delen van woonkosten in de zin van artikel 3, derde lid, van de Toeslagenverordening, op grond waarvan geen sprake zou zijn van lagere bestaanskosten wegens woningdeling, verzoeker nader had moeten onderzoeken of in dit geval sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 9 van Pro de Verordening. Teneinde een beeld te krijgen van de feitelijke situatie had verzoeker daartoe naar het oordeel van de rechtbank een huisbezoek moeten afleggen.
3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak. Volgens verzoeker doet het feit dat betrokkene mogelijk extra kosten heeft gemaakt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen niets af aan het uitgangspunt dat hij als kamerbewoner schaalvoordelen heeft ten opzichte van zelfstandig wonende alleenstaanden. Verzoeker ziet geen aanleiding voor een huisbezoek aangezien het een algemeen aanvaard gebruik is om schaalvoordeel wegens woningdeling uit te drukken in een forfaitair percentage van 10% met als gevolg dat de gemeentelijke toeslag beperkt is gebleven tot 10%. Verzoeker acht de aangevallen uitspraak ter zake ook evident strijdig met de door de Raad ontwikkelde jurisprudentie ten aanzien van de rechtmatigheid van huisbezoeken in relatie tot de privacywetgeving. Verzoeker bestrijdt dat slechts een huisbezoek zou kunnen leiden tot een besluit dat voldoet aan de criteria van het zorgvuldigheidsbeginsel en acht het noodzakelijk dat de voorzieningenrechter op korte termijn uitsluitsel geeft.
4. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1. De voorzieningenrechter van de Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
4.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat, indien verzoeker in afwachting van en onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep besluit opnieuw op het bezwaar te beslissen en de Raad, beslissende in de hoofdzaak, tot de slotsom zou komen dat het besluit van 14 januari 2009 in rechte stand kan houden, dit leidt tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot vernietiging van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit.
4.3. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het dictum van de uitspraak van de rechtbank geenszins impliceert dat verzoeker zonder meer is gehouden de bijstand van betrokkene met de maximale toeslag te verhogen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorts niet gebleken dat en waarom verzoeker geen uitvoering zou kunnen geven aan de aangevallen uitspraak door na een voorbereiding die voldoet aan de daaraan uit hoofde van artikel 3:2 van Pro de Awb te stellen eisen een deugdelijk gemotiveerd nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen het besluit van 31 oktober 2008.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
mm