ECLI:NL:CRVB:2010:BK8336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen sinds 1993 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College ontdekte via het Inlichtingenbureau dat appellanten beschikten over een niet opgegeven bankrekening bij de Rabobank. Na verzoeken om bankafschriften en het uitblijven van adequate informatie, trok het College de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2006.
De rechtbank oordeelde dat het recht op bijstand over een deelperiode (periode 2) wel kon worden vastgesteld, maar over de andere periodes niet. Het College nam daarop een nieuw besluit waarin het bezwaar over periode 2 werd gegrond verklaard en het recht op bijstand werd herzien. In hoger beroep betoogden appellanten dat het tegoed op de bankrekening niet aan hen toebehoorde, maar bestemd was voor hun (schoon)moeder. De Raad verwierp dit beroep omdat appellanten geen concrete en verifieerbare gegevens hadden overgelegd.
Hoewel appellanten alsnog bankafschriften over periode 3 overlegden, oordeelde de Raad dat het inzicht in de inkomens- en vermogenspositie onvoldoende was om het recht op bijstand vast te stellen. De Raad bevestigde daarmee de intrekking en terugvordering door het College en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.