ECLI:NL:CRVB:2010:BK8879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als filiaalmedewerkster, kreeg vanaf 7 juni 1990 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is haar uitkering per 2 februari 2007 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting niet onzorgvuldig was.
De rechtbank vond dat de medische gegevens, waaronder die van de huisarts en reumatoloog, geen verklaring boden voor de klachten van appellante en dat de arbeidsdeskundigen voldoende hadden gemotiveerd waarom de aangeduide functies binnen haar mogelijkheden lagen. In hoger beroep voerde appellante dezelfde gronden aan, maar slaagde er niet in aan te tonen dat de aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts noodzakelijk was of dat het medisch oordeel onjuist was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in alle fasen voldoende zorgvuldig was geweest. Er waren geen objectieve medische gegevens die de stelling van appellante ondersteunden dat zij verdergaand beperkt zou zijn. Ook de motivering van de arbeidsdeskundigen over de passendheid van de functies werd onderschreven. De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.