Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3988 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks taalbeperkingen

Appellant, laatstelijk werkzaam als borden schoonmaker, viel uit wegens rug- en knieklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidskundige beoordeling voldoende was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal hem belemmerde om de geduide functies uit te oefenen, en dat het UWV de bedrijfsarts om nadere informatie had moeten vragen. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, mede door aanwezigheid van een tolk en uitgebreid lichamelijk onderzoek, en dat er geen aanwijzingen waren dat medische aspecten onbelicht waren gebleven.

Verder oordeelde de Raad dat de beperkte taalvaardigheid van appellant geen reden was om de geduide functies als ongeschikt te beschouwen, omdat het niveau van taalbeheersing dat nodig is voor deze functies zeer beperkt is en er ruimte is voor mondelinge uitleg en begeleiding. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/3988 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2008, 07/2469 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 8 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2009. Namens appellant is verschenen mr. C.T.W. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als borden schoonmaker. Op 10 augustus 2004 is appellant voor die werkzaamheden uitgevallen wegens rug- en knieklachten.
1.2. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 8 augustus 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bedraagt.
2. Bij het besluit van 9 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2006 ongegrond verklaard.
3.1.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een orthopedische expertise heeft laten verrichten, op grond van welke onderzoeksbevindingen de verzekeringsarts op 18 oktober 2006 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en is bij de hoorzitting aanwezig geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML op 4 mei 2007 op een aantal aspecten aangepast.
3.1.2. De brief van 18 februari 2006 van de bedrijfsarts van KLM Health Services geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, nu die verklaring van de huisarts niet is geobjectiveerd. Gelet op de bevindingen van de orthopedische expertise heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank terecht minder gewicht toegekend aan de bevindingen van de bedrijfsarts.
3.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het arbeidskundige rapport van 4 mei 2007, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.
4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij slechts drie jaren onderwijs heeft gevolgd op een Koranschool in Marokko. Appellant kan geen Nederlands lezen of schrijven en is daardoor niet in staat de geduide functies, met name die van stikster (sbc-code 111160), te verrichten. Voorts had het Uwv de bedrijfsarts naar aanleiding van zijn brief van 18 februari 2006 om nadere informatie moeten vragen.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De stelling van appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest vanwege zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad dat in het rapport van de primaire verzekeringsarts van 22 juni 2006 weliswaar melding wordt gemaakt van de beperkte taalvaardigheid van appellant, maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. In dit verband neemt de Raad mede in aanmerking dat in het verslag van de op 12 oktober 2006 verrichte orthopedische expertise is vermeld dat betrokkene desgevraagd heeft aangegeven dat hij zijn klachten goed heeft kunnen verwoorden. Daarbij is er tijdens de expertise uitgebreid lichamelijk onderzoek verricht. Tevens is de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig geweest, waarbij de gemachtigde van appellant als tolk is opgetreden, en heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant aansluitend lichamelijk onderzocht. Voorts is namens appellant niet aangegeven welke specifieke medische aspecten onbelicht zouden zijn gebleven.
5.3.1. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met de arbeidskundige rapporten van 30 oktober 2006 en 4 mei 2007 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellant.
5.3.2. De Raad ziet evenmin aanleiding om de geduide functies niet passend te achten vanwege de beperkte beheersing van de Nederlandse taal van appellant. Uit de functiebeschrijving in het Resultaat Functiebeoordeling komt naar voren dat het niveau waarop en de mate waarin appellant Nederlands moet kunnen lezen en schrijven voor het uitoefenen van de geduide functies zeer beperkt zijn. In het licht hiervan heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het uitoefenen van de geduide functies. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking, zoals is aangegeven in de CBBS-bijlage bij het arbeidskundige rapport van 30 oktober 2006, dat er in de geduide functies gelegenheid is tot mondelinge uitleg door en afkijken bij collega’s, voor zover schriftelijke instructies niet begrepen zouden worden. Het dossier bevat geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in ziekte of gebrek gelegen factoren ten grondslag liggen aan de beperkte beheersing van de Nederlandse taal van appellant. Gelet hierop hoort een beperkte beheersing van de Nederlandse taal strikt genomen - anders dan hier is geschied - niet thuis in de FML.
6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) A.E. van Rooij.
EK