ECLI:NL:CRVB:2010:BK8907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende kracht Wajong-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante, geboren in 1969 en afkomstig uit Ethiopië, diende in 2006 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege een aangeboren oogafwijking. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen. Het nieuwe besluit kende appellante een uitkering toe met terugwerkende kracht van één jaar, maar het UWV stelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval voor een langere terugwerkende kracht.
Appellante voerde aan dat haar jeugd, visuele handicap en onbekendheid met de Nederlandse taal en wetgeving een bijzonder geval vormden. De rechtbank oordeelde echter dat er geen belemmeringen bij haar ouders waren om tijdig een aanvraag te doen en dat appellante zelf vanaf haar meerderjarigheid voldoende mogelijkheden had om een aanvraag in te dienen. Onbekendheid met de wet werd volgens vaste jurisprudentie niet als bijzonder geval aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat het UWV terecht geen bijzonder geval had aangenomen. Ook werd geoordeeld dat het UWV geen nieuw primair besluit hoefde te nemen over dit standpunt, omdat dit in strijd zou zijn met de verplichting tot volledige heroverweging en vaste rechtspraak over getrapte besluitvorming. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijzonder geval bestaat voor een terugwerkende kracht van meer dan één jaar bij toekenning van de Wajong-uitkering.