ECLI:NL:CRVB:2010:BK9373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderbijslag wegens onvoldoende bewijs onderhoud kinderen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de terugvordering van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1991 tot en met het tweede kwartaal van 1993, omdat hij niet zou hebben aangetoond dat hij de betreffende kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de terugvordering gehandhaafd, stellende dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het onderhoud van de kinderen in de betreffende periode.
De rechtbank Haarlem heeft eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde. In de procedure heeft appellant betalingsbewijzen overgelegd, maar deze hadden betrekking op een latere periode (1995-2006) en niet op de periode in geschil. De Raad oordeelt dat appellant niet op eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond dat hij de kinderen in de relevante kwartalen heeft onderhouden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing is genomen door de enkelvoudige kamer van de Raad op 14 januari 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van kinderbijslag bevestigd.