ECLI:NL:CRVB:2010:BK9699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid op medische gronden
Appellante, die sinds 2000 een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, stelde dat haar beperkingen onderschat waren en dat haar uitkering per 9 januari 2007 verhoogd moest worden naar een mate van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV had haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 55-65% per die datum en verlaagde haar uitkering per 16 juli 2007 naar 15-25%.
De rechtbank had het beroep tegen de verlaging per 16 juli 2007 ongegrond verklaard en de afbakening van het geschil beperkt, waardoor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 januari 2007 buiten beschouwing bleef. De Centrale Raad van Beroep volgt deze afbakening niet en oordeelt dat appellante ook tegen de vaststelling op 9 januari 2007 in beroep kon komen.
De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen adequaat heeft weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarbij ook informatie van de behandelende psychiater en huisarts is betrokken. De bezwaararbeidsdeskundige heeft overtuigend aangetoond dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante vallen, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid op beide data 15-25% bedraagt.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante. De gevraagde verhoging van de uitkering per 9 januari 2007 wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarbij de arbeidsongeschiktheid op 9 januari en 16 juli 2007 wordt vastgesteld op 15-25%.