ECLI:NL:CRVB:2010:BL0070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid per 1 mei 2007
Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich in januari 2004 ziek met rug- en psychische klachten. Na een wachttijd werd hij in januari 2006 ongeschikt geacht voor zijn maatmanfunctie, maar geschikt voor andere functies, waardoor hij geen WIA-uitkering kreeg en een WW-uitkering ontving.
In november 2006 meldde appellant zich opnieuw ziek met verergerde psychische klachten. Na medisch onderzoek in januari en maart 2007 verklaarde de verzekeringsarts hem per 1 mei 2007 hersteld voor de geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat medicatie was verhoogd en dat zijn beperkingen onvoldoende werden erkend. De Raad stelde dat de reactie van het UWV te laat was ingediend en buiten beschouwing bleef. De Raad bevestigde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat appellant per 1 mei 2007 geschikt werd geacht voor zijn arbeid. De Raad onderschreef de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De uitspraak bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld en WIA-uitkering, omdat hij volgens medisch onderzoek in staat is zijn arbeid te verrichten. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 1 mei 2007 geschikt was voor arbeid en geen recht heeft op ziekengeld of WIA-uitkering.