ECLI:NL:CRVB:2010:BL0070

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1958 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid per 1 mei 2007

Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich in januari 2004 ziek met rug- en psychische klachten. Na een wachttijd werd hij in januari 2006 ongeschikt geacht voor zijn maatmanfunctie, maar geschikt voor andere functies, waardoor hij geen WIA-uitkering kreeg en een WW-uitkering ontving.

In november 2006 meldde appellant zich opnieuw ziek met verergerde psychische klachten. Na medisch onderzoek in januari en maart 2007 verklaarde de verzekeringsarts hem per 1 mei 2007 hersteld voor de geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat medicatie was verhoogd en dat zijn beperkingen onvoldoende werden erkend. De Raad stelde dat de reactie van het UWV te laat was ingediend en buiten beschouwing bleef. De Raad bevestigde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat appellant per 1 mei 2007 geschikt werd geacht voor zijn arbeid. De Raad onderschreef de rechtbank en wees het hoger beroep af.

De uitspraak bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld en WIA-uitkering, omdat hij volgens medisch onderzoek in staat is zijn arbeid te verrichten. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 1 mei 2007 geschikt was voor arbeid en geen recht heeft op ziekengeld of WIA-uitkering.

Uitspraak

09/1958 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2009, kenmerk 07/6486 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 20 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, voorheen werkzaam als schoonmaker, heeft zich vanuit een situatie van werkloosheid op 12 januari 2004 ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Per einde wachttijd 8 januari 2006 is aan appellant geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Hij ontving aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellant werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van zijn beperkingen onder meer de functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie en productiemedewerker confectie te vervullen waardoor hij niet arbeidsongeschikt geacht werd in de zin van de Wet WIA.
1.2. Op 13 november 2006 heeft appellant zich ziek gemeld met toegenomen psychische klachten. Na medisch onderzoek op 8 januari 2007 en 7 maart 2007 heeft de verzekeringsarts appellant per 1 mei 2007 hersteld verklaard voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2007 beslist dat appellant met ingang van 1 mei 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 18 juli 2007 - bij besluit van 20 juli 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant is van mening dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat de resultaten van de in gang gezette behandeling bij Parnassia afgewacht zouden worden. Voorts is hij van mening dat de beperkingen die uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeien, onvoldoende onderkend zijn. Verder stelt appellant dat het medicatiegebruik inmiddels verhoogd is waaruit valt af te leiden dat de medische situatie op de datum in geding ernstiger was dan is aangenomen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Op 8 december 2009 is nog bij de Raad binnengekomen de reactie van het Uwv op de door appellant op 25 november 2009 ingezonden stukken. Gelet op het ter zitting door gemachtigde van appellant gemaakte bezwaar tegen het betrekken van deze reactie bij de beoordeling van de zaak zal de Raad deze reactie, als tardief ingediend, bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing laten.
4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
4.4. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de hiervoor in het kader van de van de WIA-beoordeling per 8 januari 2006 genoemde functies.
4.5. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De rechtbank is uitvoerig ingegaan op de verrichtingen en de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 1 mei 2007 in staat geacht moet worden zijn arbeid te verrichten. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen en volstaat met een verwijzing daarnaar.
Met betrekking tot de gestelde verhoging van de medicatie is de Raad van oordeel dat dit niet afdoet aan de bevindingen van de verzekeringsartsen die op basis van zorgvuldig onderzoek tot een afgewogen conclusie zijn gekomen omtrent de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid. Tot slot is de Raad anders dan appellant van oordeel dat van onzorgvuldig onderzoek geen sprake is nu de primaire verzekeringsarts blijkens het afschrift van de medische kaart op 7 maart 2007 de hersteldverklaring in verband met de behandeling bij Parnassia op een termijn van 6 weken heeft afgegeven. De verzekeringsarts heeft hiermee niets anders bedoeld dan appellant nog enige tijd te gunnen. Appellant heeft in hoger beroep verder geen nieuwe medische informatie overgelegd op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusie van de verzekeringsartsen dat hij per 1 mei 2007 in staat geacht moet worden zijn arbeid te verrichten.
5. Hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR