ECLI:NL:CRVB:2010:BL0766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten zonder dringende reden
Appellante vroeg een WIA-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid wegens rugklachten. Het UWV kende haar vanaf 11 mei 2006 voorschotten toe tijdens het onderzoek, maar wees later de uitkering af en beëindigde de voorschotten. Vervolgens vorderde het UWV het onverschuldigd betaalde voorschotbedrag van ruim €10.700 terug.
Appellante voerde aan dat door de lange beslistermijn verwachtingen waren gewekt dat zij recht had op de uitkering, en dat terugvordering met terugwerkende kracht haar kinderen benadeelde, in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV op grond van de Wet WIA verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen. Het feit dat voorschotten werden ontvangen, maakt terugvordering niet strijdig met internationale grondbeginselen. Ook de omstandigheid dat het UWV de aanvraag niet tijdig afhandelde, vormt geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten zonder dringende reden.