ECLI:NL:CRVB:2010:BL0789

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7043 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na geschil over geschiktheid functies

Appellante, laatstelijk werkzaam als sociaal cultureel werkster, ontving een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2007 stelde het Uwv haar arbeidsongeschiktheid vast op 45-55% en herzag haar uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zij niet geschikt was voor de door het Uwv geselecteerde functies productiemedewerker en vouwer.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat de medische beperkingen en de geschiktheid van de functies juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat de functies ongeschikt waren vanwege onvoldoende motivatie omtrent het item 'verdelen van aandacht'.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn, waarbij het CBBS-systeem als betrouwbaar wordt beschouwd en de bezwaararbeidsdeskundige de bezwaren voldoende heeft weerlegd. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/7043 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2008, 08/1385 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.M. Klerks, werkzaam bij ABVAKABO FNV te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een arbeidskundige rapportage van 11 maart 2009.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Namens appellante is verschenen mr. Klerks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als sociaal cultureel werkster. Zij is met ingang van 3 juli 2002 uitgevallen voor dit werk met psychische klachten. Met ingang van 2 juli 2003 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft in 2007 verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 september 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 november 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij het besluit van 18 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor de maatgevende arbeid, doch met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is werkzaamheden te verrichten in voor haar als passend geachte functies. Vergelijking van het zogenoemde maatmaninkomen met de verdiensten in deze passende functies resulteert in een verlies aan verdienvermogen van ruim 53%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Uitgaande van haar belastbaarheid zoals weergegeven in de FML is de rechtbank niet gebleken dat de geduide functies niet geschikt zijn voor appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige de beroepsgronden van appellante in zijn rapportage van 19 mei 2008 genoegzaam weerlegd.
3. In hoger beroep keert appellante zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies voor haar geschikt zijn. Naar haar mening is zij niet in staat twee van de drie voor haar geselecteerde functies te vervullen. Zij heeft daarbij erop gewezen dat in deze functies een overschrijding is gesignaleerd, die onvoldoende is gemotiveerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Gelet op het hoger beroep en het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op de vraag of de door het Uwv ter berekening van appellantes verdienvermogen geselecteerde functies van productiemedewerker (sbc-code 111180) en vouwer (sbc-code 111340) in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten. De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank bevestigend.
4.2. Naar aanleiding van de in hoger beroep aangevoerde grond dat in verband met het item ‘verdelen van aandacht’ en de daarbij gegeven signalering onvoldoende is gemotiveerd dat appellante voor deze twee functies geschikt is, heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn in rubriek 1 vermelde rapportage van 11 maart 2009 het volgende overwogen:
“Met betrekking tot het item ‘verdelen van aandacht’ kan worden opgemerkt dat dit een zogenaamd ‘niet matchend’ item is. Dit impliceert dat, indien dit item op de FML is beperkt, er altijd een signalering wordt gegeven. De opmerking van de gemachtigde dat er minimaal sprake zou moeten zijn van ‘langer dan een halfuur verdelen van de aandacht’ omdat er anders geen signalering zou zijn geweest, treft derhalve geen doel. Voor de beide functies geldt dat het zeer eenvoudige functies zijn, met een minimale eigen regelmogelijkheid (zie hieronder zelfstandige taakuitvoering). Er wordt, zoals eerder werd betoogd, in deze functies geen bijzondere aandacht gesteld aan de mogelijkheid de aandacht te verdelen.”
De Raad onderschrijft dit betoog van de bezwaararbeidsdeskundige. Ook overigens heeft de Raad geen termen aanwezig geacht om de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht in twijfel te trekken.
4.3. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante ter zitting is aangevoerd met betrekking tot dit betoog van de bezwaararbeidsdeskundige, welke reactie erop neerkomt dat appellante eraan twijfelt dat in beide functies geen sprake is van een ‘langer dan een halfuur verdelen van de aandacht’, overweegt de Raad nog het volgende. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6390) dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de aan het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) ontleende gegevens. In hetgeen in het onderhavige geval naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aanleiding te geven tot twijfel over de vraag of de functies van productiemedewerker (sbc-code 111180) en vouwer (sbc-code 111340) ook daadwerkelijk in de beschreven vorm op de arbeidsmarkt ten tijde hier van belang voorkwamen.
4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.C.A. Wit.
IvR