ECLI:NL:CRVB:2010:BL1136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ouderdomspensioen AOW aan in Egypte wonende echtgenote
Appellante, geboren in 1943, is gehuwd geweest met een man die in Nederland woonde en werkte, terwijl zij zelf in Egypte bleef wonen. Na het overlijden van haar echtgenoot in 2000 ontving zij vanaf 2003 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die in 2008 werd ingetrokken toen zij 65 jaar werd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde haar per 1 oktober 2008 een ouderdomspensioen toe te kennen omdat zij nooit verzekerd was geweest krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Appellante stelde in bezwaar en hoger beroep dat haar echtgenoot premies had betaald en dat zij daardoor verzekerd zou zijn geweest. Ook verwees zij naar vergelijkbare situaties van echtgenotes in Marokko en Turkije die wel als verzekerd worden beschouwd. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat appellante nooit in Nederland had gewoond of gewerkt en ook niet verplicht verzekerd was geweest op grond van de AOW of de bijbehorende besluiten. Bovendien bevat het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Egypte geen bepalingen die haar als medeverzekerde aanmerken.
De Raad benadrukte dat het ontbreken van een dergelijke bepaling in het verdragsrecht doorslaggevend is en dat het feit dat dergelijke bepalingen wel in verdragen met Turkije en Marokko zijn opgenomen, niet leidt tot een uitbreiding naar Egypte. Tevens is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een overlijdensuitkering omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden geen AOW-uitkering genoot. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit van de Svb.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het AOW-pensioen bevestigd.