ECLI:NL:CRVB:2010:BL1640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boeteoplegging wegens niet tijdig indienen jaaropgaven 2004
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen een boetebesluit over 2004 gegrond had verklaard. Betrokkene diende de jaaropgaven over 2004 te laat in, waarop het Uwv een boete van 37,5% van de vastgestelde premie oplegde.
De Raad overwoog dat op het boetebesluit het recht van vóór 1 januari 2006 van toepassing is, inclusief de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet. Het bezwaar tegen het boetebesluit van 22 november 2005 werd door het Uwv terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Dit maakt het boetebesluit in rechte onaantastbaar.
De Raad beperkte de toetsing tot het besluit van 8 augustus 2006, waarin het Uwv het boetebedrag handhaafde na herberekening op basis van alsnog ingediende jaaropgaven. Omdat de verschuldigde premie hoger bleek dan eerder vastgesteld, was de handhaving van de boete terecht. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
De boete wordt aangemerkt als straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), maar artikel 15 van Pro het IVBPR is niet van toepassing omdat het boetebesluit in rechte onaantastbaar is geworden.
Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 januari 2010.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van € 10.983,75 wordt gehandhaafd.