ECLI:NL:CRVB:2010:BL1765

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5225 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet financiering volksverzekeringenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schuldig nalatig stellen voor niet betalen premie volksverzekeringen 2001

In deze zaak heeft de Sociale Verzekeringsbank (appellant) hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit schuldig nalatig te stellen van betrokkene vernietigde. Betrokkene had de voorlopige aanslag voor de premie volksverzekeringen over 2001 niet betaald. De rechtbank had geoordeeld dat de definitieve aanslag, die op nihil was vastgesteld, meer gewicht had dan de voorlopige aanslag en vernietigde daarom het besluit.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat betrokkene de voorlopige aanslag van €799,- niet had voldaan en dat het niet betalen van deze voorlopige aanslag ondanks de definitieve aanslag op nihil, toch tot schuldig nalatig stellen kan leiden. Er waren geen omstandigheden aangevoerd die het niet betalen niet aan betrokkene konden worden toegerekend.

De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee werd bevestigd dat het niet betalen van de voorlopige aanslag voldoende is voor het schuldig nalatig stellen volgens artikel 18 van Pro de Wet financiering volksverzekeringen.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit schuldig nalatig te stellen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

08/5225 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2008, 06/5431 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], Tunesië (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 28 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 19 november 2009 heeft appellant een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant zijn besluit van 3 augustus 2006 gehandhaafd, waarbij betrokkene over het jaar 2001 voor 100% schuldig nalatig is verklaard, omdat betrokkene de voorlopige aanslag over 2001 niet betaald zou hebben.
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de aan betrokkene opgelegde definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van 18 oktober 2002 blijkt dat betrokkene niets meer verschuldigd is aan de Belastingdienst en dat aan een definitieve aanslag meer betekenis toekomt dan aan een voorlopige aanslag.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene de voorlopige aanslag over 2001 niet heeft betaald. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant een brief van de Belastingdienst in het geding gebracht waarin wordt bevestigd dat betrokkene de voorlopige aanslag over 2001 niet heeft betaald.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Artikel 18 van Pro de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) luidde ten tijde hier van belang als volgt:
“1. Indien een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, houdt de Sociale Verzekeringsbank daarvan aantekening indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.
2. Een premieplichtige is schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.”
4.2. De Raad stelt vast dat uit de door appellant in het geding gebrachte brief van de Belastingdienst blijkt dat betrokkene de voorlopige aanslag over 2001 ten bedrage van € 799,- (exclusief heffingsrente) niet heeft betaald. Voorts blijkt uit deze brief dat indien de voorlopige aanslag tot een juist bedrag is opgelegd, zoals in dit geval, de definitieve aanslag op nihil wordt vastgesteld. Dit laat echter onverlet dat de voorlopige aanslag betaald dient te worden.
4.3. Nu vaststaat dat betrokkene de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over 2001 niet heeft betaald, en geen omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken op grond waarvan het niet betalen van de premie betrokkene niet toegerekend kan worden, heeft appellant terecht besloten betrokkene schuldig nalatig te stellen over 2001.
Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep tegen het bestreden besluit dient alsnog ongegrond verklaard te worden.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2010.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) W. Altenaar.
RB