ECLI:NL:CRVB:2010:BL2799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 24 december 2004 waarin werd vastgesteld dat haar recht op een WAO-uitkering per 25 februari 2005 was komen te vervallen omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellante dat zij gezien haar klachten en beperkingen niet in staat was om de geselecteerde functies te vervullen. Een door de Raad ingeschakelde psychiater concludeerde dat appellante leed aan een angststoornis, maar dat de belastbaarheid juist was vastgesteld. Het UWV stelde dat appellante geschikt was voor de functies waarop de beoordeling was gebaseerd.
De Raad volgde het standpunt van het UWV dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige leidend is, en dat appellante geen medische gegevens had overgelegd die het oordeel in twijfel konden trekken. Wel oordeelde de Raad dat het onderzoek niet volledig was geweest en dat een nadere arbeidskundige rapportage noodzakelijk was.
De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.