ECLI:NL:CRVB:2010:BL2801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, werkzaam als veldmedewerker bij een archeologische dienst, meldde zich in november 1999 ziek met psychische en later ook gewrichtsklachten. Vanaf november 2000 ontving hij een WAO-uitkering van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2007 door verzekeringsartsen werd vastgesteld dat appellant lichte energetische beperkingen had, zonder noodzaak voor urenbeperking, en dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Het UWV trok daarop de WAO-uitkering per november 2007 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het intrekkingsbesluit ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige grondslagen onderschreef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een urenbeperking nodig was omdat hij alles in eigen tempo moest doen en zijn klachten onverminderd aanwezig waren. De Raad oordeelde dat het standpunt van de verzekeringsartsen berust op zorgvuldig onderzoek en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening hield met de beperkingen.
De arbeidskundige beoordeling ondersteunde de schatting van belastbaarheid op functies als productiemedewerker industrie, sorteerder en wikkelaar, met een reservefunctie als elektronica monteur. De Raad vond de rapportages voldoende onderbouwd en zag geen aanleiding om de eerdere uitspraak te wijzigen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellant verscheen niet bij de zitting en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de gedeeltelijke WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.