ECLI:NL:CRVB:2010:BL3670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling aflossingscapaciteit en terugvordering Anw-uitkering
Appellante was geconfronteerd met een terugvordering van teveel betaalde nabestaandenuitkering (Anw) door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb had de aflossingscapaciteit vastgesteld en een maandelijkse aflossing van €150 opgelegd, waarbij zij minder dan de volledige aflossingscapaciteit gebruikte en een aflossingsperiode van 128 maanden hanteerde. Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar overige schulden.
De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat de Svb de aflossingscapaciteit juist had vastgesteld en dat er geen reden was om rekening te houden met de overige schulden, mede omdat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in de omvang en het ontstaan van deze schulden. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Svb het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW correct had toegepast en zelfs ten gunste van appellante had afgeweken door niet de volledige aflossingscapaciteit in te zetten. Uit de overgelegde schuldenoverzichten bleek niet dat de schulden binnen een jaar na het ontstaan waren afgelost, zodat de Svb conform haar beleid geen rekening hoefde te houden met deze schulden. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die anders zouden vereisen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 februari 2010, waarbij tevens werd verwezen naar gerelateerde zaken van appellante. De beslissing bevestigt de terugvordering en de wijze van vaststelling van de aflossingscapaciteit door de Svb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank de aflossingscapaciteit correct heeft vastgesteld en de terugvordering terecht is.