ECLI:NL:CRVB:2010:BL3858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslaglegging op WAO-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het beslag dat de gemeente had gelegd op zijn WAO-uitkering wegens een betalingsachterstand. Hij stelde dat het vakantiegeld, dat in mei werd uitgekeerd en samen met de reguliere uitkering de beslagvrije voet overschreed, ten onrechte onder het beslag viel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bestuursrechter geen oordeel kan geven over de geldigheid van het beslag, aangezien dit een zaak is voor de burgerlijke rechter. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en beperkte de toetsing tot de vraag of het UWV binnen het kader van het beslag is gebleven bij de betalingsbeslissing.
Tijdens de zitting verduidelijkte het UWV dat de wijze van uitbetaling van de WAO-uitkering een bestendige praktijk is en dat er geen wettelijke belemmering of verplichting is om hiervan af te wijken in concrete gevallen. De Raad vond geen aanleiding om hiervan af te wijken en bevestigde het bestreden besluit, waarmee het bezwaar van appellant werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het beslag op de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellant af.