ECLI:NL:CRVB:2010:BL4285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1467 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij per 6 februari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep betwistte appellant de juistheid van deze beoordeling.

Appellant voerde aan dat zijn belastbaarheid was overschat, mede vanwege een persoonlijkheidsstoornis en cannabisverslaving, en dat hij niet in staat was de aan hem voorgehouden functies te vervullen. De Raad stelde vast dat het UWV de medische beperkingen juist had vastgesteld, rekening houdend met de persoonlijkheidsstoornis en agressieregulatieproblematiek.

De Raad oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor verdergaande beperkingen en dat de functies die appellant kon vervullen medisch gezien geschikt waren, ook gezien de arbeidskundige rapportage. De cannabisverslaving leidde niet tot beperkingen op de relevante datum. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de medische beperkingen juist zijn vastgesteld.

Uitspraak

09/1467 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 februari 2009, 08/2813 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.D. van Doleweerd, kantoorgenoot van mr. Verweij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een nader overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
2. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het Uwv - op basis van verricht verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek - vastgesteld dat voor appellant met ingang van 6 februari 2008 geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat haar niet is gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest en zij geen aanleiding ziet dat er verdergaande beperkingen hadden moeten worden vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies in overeenstemming is met zijn belastbaarheid.
5. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn belastbaarheid is overschat door het Uwv. Hij acht zich wegens zijn persoonlijkheidsstoornis in het geheel niet in staat reguliere arbeid te verrichten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat geen rekening is gehouden met zijn cannabisverslaving. Appellant heeft tot slot betoogd dat hij niet in staat is de aan hem voorgehouden functies te vervullen.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum van 6 februari 2008 juist heeft vastgesteld. Het Uwv heeft rekening gehouden met de bij appellant geconstateerde persoonlijkheidsstoornis en agressieregulatieproblematiek. Uit de voorhanden zijnde medische informatie blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat het Uwv ten aanzien van appellant verdergaande beperkingen had dienen vast te stellen. Appellant heeft geen andere medische informatie ingebracht die twijfel zou kunnen oproepen over de juistheid van de beoordeling van het Uwv. Zo acht de Raad niet aannemelijk gemaakt dat appellant wegens zijn stoornis in het geheel niet in staat is reguliere arbeid te verrichten. Met betrekking tot de cannabisafhankelijkheid van appellant oordeelt de Raad dat onvoldoende is gebleken dat daaruit op de in geding zijnde datum beperkingen tot het verrichten van arbeid voortvloeiden.
6.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, is de Raad van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies, gelet op de daaraan verbonden belasting, voor hem in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt. De Raad stelt vast dat appellant volgens de verzekeringsarts van het Uwv is beperkt op onder meer de aspecten ‘het uiten van eigen gevoelens’ en ‘het omgaan met conflicten’. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met de rapportage van de arbeidsdeskundige M.T.F. Schouten, en gelet op het formulier ‘Resultaat functiebeoordeling’ voldoende gemotiveerd, dat in de aan appellant geduide functies geen sprake is van een zodanige belasting op eerdergenoemde aspecten dat deze functies voor appellant niet geschikt zouden zijn.
6.4. Uit het overwogene in 6.2 en 6.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
EK