ECLI:NL:CRVB:2010:BL4303

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-816 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij afwijzing WAJONG-uitkering

Appellant vroeg een WAJONG-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat hij op zijn 17e verjaardag niet arbeidsongeschikt was. Na bezwaar stelde het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 1 december 2002. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant onvoldoende medische gegevens overlegd had die eerdere arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakten.

In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen concrete aanleiding was voor de vaststelling van deze datum en dat hij wel degelijk rond zijn 17e verjaardag arbeidsongeschikt was, onderbouwd met brieven van een psycholoog. De Raad oordeelde dat de vaststelling niet speculatief mag zijn en dat het UWV de datum op een logische en consistente wijze had bepaald, mede op basis van verklaringen van appellant zelf.

De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij eerder arbeidsongeschikt was en dat er geen nieuwe gegevens waren die tot een ander oordeel leidden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld op 1 december 2002 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/816 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2008, 08/1961 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren [in] 1982, heeft op 31 augustus 2007 bij het Uwv een aanvraag ingediend om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
2. Appellant is daarop onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze heeft, onder meer na kennisneming van de brief van klinisch psycholoog/psychotherapeut H.G.J. Oldenhof, geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een obsessief-compulsief syndroom en dat appellant hierdoor per 29 november 2004 volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was.
3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv is de eerste dag van arbeidsongeschiktheid herzien en vastgesteld op 1 december 2002. Bij besluit van 27 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts op inzichtelijke, logische en consistente wijze heeft onderbouwd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 december 2002 gesteld dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellant eerder dan voornoemde datum zodanige klachten had dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt had moeten worden beschouwd rond zijn 17e verjaardag.
5. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat er geen concrete aanleiding bestaat om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen op 1 december 2002. Appellant is van mening dat hij op of rond zijn 17e verjaardag wel degelijk arbeidsongeschikt was. Hij verwijst daartoe onder meer naar een tweetal brieven van Oldenhof.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Het geschil gaat om de vraag of het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist heeft vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld – onder meer in zijn uitspraak van 11 juli 2008 (LJN BD9290; gepubliceerd in USZ 2008/267) – mag de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet louter speculatief van aard zijn en moet er enige concrete aanleiding bestaan voor de keuze van een bepaalde datum. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel de keuze van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, met name nu deze aansluiting heeft gezocht bij hetgeen appellant op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts heeft gezegd, namelijk dat hij zich eind 2002 bewust werd van zijn klachten en er toen pas hinder van ondervond, hetgeen leidde tot het zoeken van hulp in de vorm van een (eerste) bezoek aan zijn huisarts. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant in hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten op of rond zijn 17e verjaardag zodanig waren, dat daardoor ook reeds beperkingen tot het verrichten van arbeid aanwezig waren. Appellant heeft in dit verband in hoger beroep geen nieuwe gegevens ingebracht die tot een ander oordeel dienen te leiden.
6.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
EK