ECLI:NL:CRVB:2010:BL4404

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7014 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 1 augustus 2007 te beëindigen vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af, omdat het UWV volgens haar niet te geringe medische beperkingen had vastgesteld en de geduide functies geschikt waren voor appellante.

In hoger beroep heeft appellante haar bezwaarg gronden herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep ziet, uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen vastgesteld door het UWV, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de geduide functies in twijfel te trekken. De Raad acht het medisch onderzoek zorgvuldig en de conclusies van de verzekeringsarts juist.

De subjectieve klachtenbeleving van appellante vormt volgens de Raad geen voldoende grond om het standpunt van het UWV te wijzigen. Er zijn geen objectieve medische aanknopingspunten gevonden die de conclusie van het UWV ondermijnen. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een schadevergoeding.

De uitspraak is gedaan door H. Bolt, met griffier A.L. de Gier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het beroep van appellante af.

Uitspraak

08/7014 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, verzonden op 12 november 2008, 07/5488 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een medische rapportage.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 7 juni 2007 heeft het Uwv appellante bericht dat haar recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 1 augustus 2007 is geëindigd, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op laatstgenoemde datum minder dan 35% bedraagt.
1.2. Bij besluit van 4 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 7 juni 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv bij appellante niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. Voorts is zij er voldoende van overtuigd dat de aan appellante voorgehouden functies geschikt voor haar zijn.
3. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de door haar in bezwaar en in beroep ingebrachte gronden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn erkend. De Raad heeft onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van bezwaarverzekeringsarts
A.J. Hoffman in diens in hoger beroep overgelegde rapportage van 30 januari 2009 dat er geen indicatie is om op het eerder ingenomen standpunt terug te komen. De subjectieve klachtenbeleving van appellante kan naar het oordeel van de Raad bij de toepassing van de Wet WIA geen toereikende basis vormen voor het oordeel dat haar medische beperkingen door het Uwv zouden zijn onderschat.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.
5. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
EF