Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6413

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/3678 WAO + 09/4573 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 44 WAO (oud)Art. 11 Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlaging WAO-uitkering en toepassing arbeidsongeschiktheidsklasse

Appellant werkte sinds 1 april 2001 in aangepast werk voor 20 uur per week in een tijdelijke, gesubsidieerde baan. Het UWV besloot de WAO-uitkering van appellant per 3 december 2007 te verlagen op basis van zijn feitelijk verworven verdiensten, waarbij hij werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

Appellant voerde aan dat de schatting van zijn feitelijke verdiensten niet toegepast mocht worden omdat zijn vangnetbaan gelijk zou zijn aan arbeid in de zin van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), en deed een beroep op artikel 11 van Pro de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. De Raad oordeelde dat het UWV terecht toepassing gaf aan artikel 44, tweede lid, van de WAO (oud) en wees het beroep op de uitzonderingsbepaling in het derde lid van artikel 44 af Pro omdat appellant geen arbeidsovereenkomst had zoals bedoeld in de WSW.

Verder stelde de Raad vast dat het beroep van appellant zich ook uitstrekte tot het eerste besluit, en kende hij appellant de vergoeding van wettelijke rente toe over de na te betalen uitkering. Het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2009 werd ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenveroordeling werd afgewezen.

Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% wordt bevestigd en het beroep op artikel 11 van de Regeling samenloop wordt afgewezen.

Uitspraak

09/3678 en 09/4573 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 mei 2009, 08/1235 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv voerde verweer en reageerde schriftelijk op de door appellant ingebrachte nieuwe stukken. Het Uwv legde over zijn ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 10 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit 2) en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Voorts werd nog een (aanvullend) rapport van bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 14 oktober 2009 ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009, waar het Uwv zich liet vertegenwoordigen door M. Florijn en appellant zich liet bijstaan door mr. Vaessen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 20 maart 2008 (hierna: bestreden besluit 1) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij beslist het Uwv op het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van
2 oktober 2007 en beëindigt de WAO-uitkering van appellant per 3 december 2007. Weliswaar kan hij om medische redenen zijn eigen werk niet meer doen, maar met gangbare arbeid kan hij volgens het Uwv ongeveer 89% verdienen van zijn loon als full time uitzendkracht/magazijnmedewerker.
2. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde bestreden besluit 1 en droeg het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar.
3.1. De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet bestreden, feiten.
3.2. Vanaf 1 april 2001 werkt appellant in aangepast werk voor 20 uur per week. Het betreft een tijdelijke, gesubsidieerde baan. In subsidie voor dit werk is in elk geval tot 1 januari 2012 voorzien.
3.3. Het Uwv verving bestreden besluit 1 door bestreden besluit 2 tot de verlaging van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 december 2007. Appellant is op grond van zijn feitelijk verworven verdiensten vanaf die datum ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.
4. Appellant stelt thans dat de schatting op zijn feitelijke verdiensten achterwege dient te blijven, omdat zijn vangnetbaan gelijk is aan arbeid in de zin van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Hij doet in dat verband mede een beroep op de toepassing van artikel 11 van Pro de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid (hierna: de Regeling).
5.1. De Raad overweegt het volgende.
5.2. De Raad stelt vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht strekt het beroep van appellant zich mede hiertoe uit.
5.3. Appellant behoudt belang bij een beoordeling van bestreden besluit 1, omdat hij verzocht heeft om toekenning van een vergoeding van de wettelijke rente. Gelet op de omstandigheid dat appellant met ingang van 3 december 2007 alsnog is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% wijst de Raad het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).
5.4. Naar het oordeel van de Raad gaf het Uwv met bestreden besluit 2 terecht toepassing aan het dwingendrechtelijke artikel 44, tweede lid, van de WAO (oud). Het beroep van appellant op de uitzonderingsbepaling in het derde lid van artikel 44 van Pro de WAO faalt, omdat hij geen arbeidsovereenkomst heeft als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de WSW.
5.5. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij onder artikel 11 van Pro de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten valt, reeds omdat deze regeling is gebaseerd op artikel 44, vijfde en zesde lid, WAO welk artikel in het onderhavige geval niet (meer) van toepassing is.
6. Het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2009 faalt.
7. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak en veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2010.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.C.A. Wit.
TM