ECLI:NL:CRVB:2010:BL6413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging WAO-uitkering en toepassing arbeidsongeschiktheidsklasse
Appellant werkte sinds 1 april 2001 in aangepast werk voor 20 uur per week in een tijdelijke, gesubsidieerde baan. Het UWV besloot de WAO-uitkering van appellant per 3 december 2007 te verlagen op basis van zijn feitelijk verworven verdiensten, waarbij hij werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.
Appellant voerde aan dat de schatting van zijn feitelijke verdiensten niet toegepast mocht worden omdat zijn vangnetbaan gelijk zou zijn aan arbeid in de zin van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), en deed een beroep op artikel 11 van Pro de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. De Raad oordeelde dat het UWV terecht toepassing gaf aan artikel 44, tweede lid, van de WAO (oud) en wees het beroep op de uitzonderingsbepaling in het derde lid van artikel 44 af Pro omdat appellant geen arbeidsovereenkomst had zoals bedoeld in de WSW.
Verder stelde de Raad vast dat het beroep van appellant zich ook uitstrekte tot het eerste besluit, en kende hij appellant de vergoeding van wettelijke rente toe over de na te betalen uitkering. Het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2009 werd ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% wordt bevestigd en het beroep op artikel 11 van de Regeling samenloop wordt afgewezen.