ECLI:NL:CRVB:2010:BL6673

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3366 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Stb. 2004, 434
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks medische bezwaren appellant

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar WAO-uitkering, stellende dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen juist beeld geeft van haar gezondheidstoestand op de datum in geding. Zij baseert dit op een rapport van revalidatiearts Terburg en recente operaties aan hand en elleboog.

De Raad heeft het bezwaar en de medische rapportages van zowel Terburg als de bezwaarverzekeringsarts Van Geest beoordeeld. De Raad concludeert dat Terburg onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor een zwaardere beperking dan in de FML is vastgesteld en dat de medische informatie van Van Geest betrouwbaarder is. Ook acht de Raad het niet nodig om een extra deskundige in te schakelen.

Verder oordeelt de Raad dat appellante met haar beperkingen in staat moet zijn om de functies van parkeercontroleur, chauffeur bijzonder vervoer en hulpverkoper te vervullen, mede omdat zij privé in een auto met automaat rijdt en er geen medische contra-indicaties zijn voor autorijden. De Raad bevestigt daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante met haar beperkingen de functies kan vervullen en het deskundigenrapport onvoldoende onderbouwing biedt voor een andere beoordeling.

Uitspraak

08/3366 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2008, 07/3079
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 21 juli 2008 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2.1. In het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
(Stb. 2004, 434) is appellante herbeoordeeld.
2.2. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het Uwv – onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 maart 2007 – de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 april 2007 (datum in geding) herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
45 tot 55%.
2.3. De schatting is gebaseerd op de functies van parkeercontroleur (Sbc-code 342022), chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) en hulpverkoper (Sbc-code 111300).
3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank in orde bevonden.
4.1. In hoger beroep herhaalt appellante de stelling dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) – gelet op haar lichamelijke en psychische klachten – geen blijk geeft van een juist oordeel omtrent haar gezondheidstoestand op de datum in geding. Zij voelt zich gesteund door het expertise-rapport van revalidatiearts M. Terburg van 29 februari 2008, aan welk rapport door de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan. Appellante wijst in dit verband voorts op de recente hand- en elleboogoperaties die zij heeft ondergaan. Zij acht zichzelf ook niet in staat fulltime te werken. Appellante verzoekt de Raad een deskundige in te schakelen.
4.2. Appellante herhaalt tevens haar standpunten met betrekking tot de functies van chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) en hulpverkoper (Sbc-code 111300). Appellante stelt dat zij niet in staat is in een bestelbus te rijden en evenmin een functie kan vervullen waarin overwegend wordt gelopen en gestaan.
5.1 De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.2.1. In zijn rapportage heeft revalidatiearts Terburg gesteld dat op een aantal (in de FML omschreven) belastbaarheidsaspecten de mogelijkheden van appellante zijn overschat. Bezwaarverzekeringsarts Van Geest heeft gemotiveerd gereageerd met haar rapportage van 26 maart 2008. De Raad stelt vast dat ten aanzien van de aspecten ‘hand- en vingergebruik (knijp-/grijpkracht en repetitieve hand-/vingerbewegingen)’, ‘duwen of trekken’ en ‘frequent lichte voorwerpen hanteren’ de zwaarst mogelijke beperking is aangenomen. Voor de (overige) aspecten ‘trillingsbelasting’, ‘werken met toetsenbord en muis’, ‘reiken’, ‘buigen’, ‘tillen of dragen’, ‘trappenlopen’, ‘klimmen’, ‘knielen of hurken’ en ‘staan tijdens het werk’ is appellante ook beperkt geacht. Terburg heeft in zijn rapportage niet uiteengezet op welke gronden hij appellante op de evengenoemde aspecten verdergaand beperkt acht. Hij heeft evenmin onderbouwd waarom hij een urenbeperking noodzakelijk vindt. Naar het oordeel van de Raad kan voor de opvatting van Terburg geen steun worden gevonden in de voorhanden zijnde medisch-specialistische informatie, die door bezwaarverzekeringsarts Van Geest wel bij haar oordeelsvorming is betrokken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het rapport van Terburg geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Aan het enkele feit dat appellante recentelijk is geopereerd, kan niet de conclusie worden verbonden dat appellantes mogelijkheden op de datum in geding zijn overschat.
5.2.2. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet zich nader door een deskundige te laten voorlichten.
5.3.1. Omdat appellante privé rijdt in een auto met automaat, kan de Raad haar niet volgen in haar stelling dat zij niet in staat is de functie van chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) uit te voeren. Van de werkgever mag, indien medische redenen daartoe nopen, worden verwacht dat een dergelijke auto beschikbaar wordt gesteld. Overigens blijkt uit het dossier geen medische contra-indicatie met betrekking tot autorijden, hetgeen ook door bezwaararbeids-deskundige A.W. van Mastrigt in zijn rapportage van 13 september 2007 is opgemerkt.
5.3.2. In de functie van hulpverkoper (Sbc-code 111300) is de functiebelasting wat betreft ‘lopen’ dagelijks niet meer dan 1 uur en ‘staan’ dagelijks niet meer dan 3 uur. De Raad oordeelt dat de appellantes belastbaarheid hierdoor niet wordt overschreden.
5.4. Uitgaande van de juistheid van de FML van 20 juni 2007 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat moet zijn de onder rechtsoverweging 2.4 genoemde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, te vervullen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikelen 8:73, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ