AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging bijstandsuitkering
Verzoeker ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam verlaagde de uitkering in juni 2009 met €400 vanwege onvoldoende medewerking aan een voorziening en herhaald tekortschieten in de naleving van bijstandsverplichtingen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze verlaging werd ongegrond verklaard door de voorzieningenrechter.
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de uitbetaling van het verlaagde bedrag te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, omdat de verlaging betrekking had op een afgesloten periode in het verleden en verzoeker geen bewijs van schulden of bedreigende financiële situatie had aangeleverd.
Daarnaast werd vastgesteld dat een latere verlaging van de uitkering na augustus 2009 geen onderdeel was van het hoger beroep en daarom buiten beschouwing bleef. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker de bodemprocedure kon afwachten en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
10/280 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 vanPro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2009, 09/4465 en 09/4147 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 2 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2010. Daar is mr. Caddeo voor verzoeker verschenen en heeft het College zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Verzoeker ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het College de uitkering van verzoeker over de maand juni 2009 met een bedrag van € 400,-- verlaagd op de grond dat verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening waaraan hij in het kader van de WWB moest meewerken en hij binnen één jaar nadat zijn uitkering eerder is verlaagd omdat hij de WWB-regels niet naleefde opnieuw ernstig tekort is geschoten in de naleving van zijn bijstandsverplichtingen.
1.3. Bij besluit van 19 augustus 2009 is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 16 juni 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2009 ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft in hoger beroep de juistheid van deze beslissing gemotiveerd bestreden. In zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht de werking van die uitspraak in zoverre te schorsen en bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het College hem een bedrag van € 400,-- zal uitbetalen.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Awb en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
4.3. Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat het College nu al twee keer een bedrag van € 400,--, heeft gekort op zijn uitkering en hij daardoor niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, terwijl zijn schulden en vaste lasten gewoon doorlopen. Daarnaast bestaat volgens verzoeker het gevaar dat het College op de uitkering blijft korten terwijl daarvoor geen gronden aanwezig zijn.
4.4. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het geschilpunt in de bodemprocedure, namelijk afstemming van de bijstand met een bedrag van € 400,-- over de maand juni 2009, ziet op een afgesloten periode in het verleden. Niet gesteld of gebleken is dat door het opleggen van deze maatregel bedreigende schulden zijn ontstaan. De stelling dat verzoeker schulden heeft is ook ter zitting niet toegelicht en op geen enkele wijze ondersteund met stukken. De omstandigheid dat de bijstandsuitkering van verzoeker nadien over de maand augustus 2009 opnieuw met € 400,-- is verlaagd leidt niet tot een ander oordeel, aangezien die maatregel geen deel uitmaakt van het besluit waarop het onderhavige hoger beroep ziet en bij de beoordeling van het voorliggende verzoek buiten beschouwing dient te blijven. Ten slotte stelt de voorzieningenrechter vast dat de uitkering van verzoeker na augustus 2009 niet meer bij wijze van maatregel is verlaagd.
4.5. Ook op andere wijze is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. De kans dat het College zijn uitkering in de toekomst opnieuw verlaagt is daartoe ontoereikend.
5. Voor bepalingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2010.