Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4018 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengelduitkering na zorgvuldige medische toetsing

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de weigering van een ziekengelduitkering per 12 september 2005. De Raad van 13 augustus 2008 had het eerdere besluit vernietigd wegens onvoldoende medisch onderzoek en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Naar aanleiding daarvan stelde de bezwaarverzekeringsarts een rapport op waarin werd geconcludeerd dat er geen verandering was in de functionele mogelijkheden van appellant ten opzichte van augustus 2002, met name wat betreft de rugbelastbaarheid. Appellants stellingen over toegenomen concentratieproblemen en verslechtering werden niet met medische gegevens onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan. De Raad oordeelt dat het UWV op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak en bevestigt de geweigerde ziekengelduitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ziekengelduitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing van verslechtering.

Uitspraak

09/4018 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2009, 08/5056 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010.
Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de voorgeschiedenis van dit geding verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 13 augustus 2008 (06/4441 ZW), zoals nadien gerectificeerd.
1.2. Bij die uitspraak heeft de Raad het besluit van het Uwv van 1 december 2005 – waarbij een besluit van 19 september 2005 tot weigering van een ziekengelduitkering aan appellant per 12 september 2005 in bezwaar is gehandhaafd – vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de Raad berustte voormeld besluit niet op een zorgvuldig medisch onderzoek. Daarbij heeft de Raad vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts voorafgaande aan de vaststelling dat appellant in staat was de aan een eerdere WAO-schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen niet, althans niet kenbaar had getoetst of appellant in dezelfde medische toestand verkeerde als ten tijde van die WAO-schatting.
2. Ter uitvoering van voormelde uitspraak van de Raad heeft het Uwv op 19 november 2008 het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2005 opnieuw ongegrond is verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 5 november 2008 van bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe ten grondslag.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat het Uwv blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 november 2008 heeft gekeken naar de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 augustus 2002 opgenomen beperkingen in relatie tot de bevindingen van appellants medische situatie in september 2005. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich hierbij terecht op het standpunt gesteld dat de in de FML van 12 augustus 2002 opgenomen beperkingen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid van appellant geen verband houden met beperkingen van appellants rug, maar met de nekhernia.
4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Dit impliceert dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan voormelde uitspraak van de Raad van 13 augustus 2008. Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 5 november 2008 na vergelijking van appellants belastbaarheid op de datum in geding – 12 september 2005 – met die van de situatie in augustus 2002 op goede gronden geconcludeerd dat wat betreft de rugbelastbaarheid van appellant niet gebleken is van een verandering in de functionele mogelijkheden van appellant. Appellants stelling dat dit wel het geval is geweest is niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad wijst er verder op dat voorafgaande aan het besluit van 1 december 2005 door de bezwaarverzekeringsarts reeds aandacht is besteed aan de concentratieproblemen van appellant. Appellants stelling dat zijn concetratieverlies reeds voorafgaand aan 12 september 2005 was toegenomen is ook niet nader onderbouwd.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR