Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7976

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4978 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante, voormalig tuinbouwmedewerkster, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering geweigerd omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. Na ziekmelding met hoofdpijnklachten werd zij hersteld verklaard voor geselecteerde functies, waarna het Uwv het recht op ziekengeld introk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens zorgvuldig medisch onderzoek.

In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en stelde dat de verzekeringsartsen onvolledig onderzoek deden en dat zij vrijstelling had van sollicitatieplicht op grond van de WWB. Tevens vorderde zij schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat er geen medisch objectief ziektebeeld was dat haar belastbaarheid overschreed, en dat het WWB-kader niet relevant was voor deze zaak. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden.

De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op ziekengeld blijft geweigerd; het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

08/4978 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2008, 06/7429 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als tuinbouwmedewerkster toen zij voor dat werk volledig uitviel wegens rugklachten. Bij besluit van 19 november 2001 is haar per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Appellante werd ongeschikt geacht voor haar maatmanfunctie, maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen de functies van stikster, assemblage medewerkster en stikster lederwaren te vervullen waardoor zij niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO werd geacht. Appellante ontving aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
1.2. Appellante heeft zich op 3 oktober 2005 ziek gemeld met, met name, (ernstige) hoofdpijnklachten. Na medisch onderzoek op 3 mei 2006 heeft de verzekeringsarts appellante per 4 mei 2006 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 10 mei 2006 beslist dat appellante met ingang van 4 mei 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zoals neergelegd in de rapportage van 1 augustus 2006 - bij besluit van 8 augustus 2006 ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was verricht en zag geen reden om de conclusie ervan voor onjuist te houden.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar klachten juist zijn toegenomen en zij op grond daarvan geen werkzaamheden kan verrichten. Zij heeft erop gewezen dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen inlichtingen hebben opgevraagd bij de behandelende sector en voorts dat zij in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) wegens haar gezondheidsklachten is vrijgesteld van haar sollicitatieverplichtingen. Appellante heeft tevens vergoeding van immateriële schade gevorderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM), aangezien de rechtbank er ruim een jaar over heeft gedaan om tot een uitspraak te komen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtsreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
4.2. De Raad ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De verzekeringsarts heeft appellante uitgebreid onderzocht en heeft haar beperkt geacht voor zware fysieke werkzaamheden en extreme standen van hoofd en nek. Voorts heeft deze arts aangegeven dat inlichtingen inwinnen bij de behandelende sector niet noodzakelijk wordt geacht, omdat appellante zelf heeft aangegeven dat bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden behoudens spanning in de nekspieren. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich moeten beperken tot bestudering van het dossier aangezien appellante zonder bericht niet is verschenen op de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij de beschikking gekregen over een brief van de huisarts van appellante van 27 december 2005, van de fysiotherapeut van 22 mei 2006 en is hem door de gemachtigde meegedeeld dat appellante een gesprek bij PSYQ heeft gehad. Uit de verkregen informatie blijkt dat de klachten van appellante niet kunnen worden verklaard, c.q. dat er geen medisch objectief ziektebeeld aan ten grondslag ligt. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de belasting van de voor appellante in de WAO beoordeling geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijdt.
4.3. Met betrekking tot appellantes stelling dat zij vanwege haar gezondheidklachten in het kader van de WWB geen sollicitatieverplichtingen heeft, overweegt de Raad dat het hier allereerst een ander wettelijk kader betreft en niet duidelijk is gemaakt op welke wijze en op basis van welke medisch objectieve gegevens het advies om appellante een vrijstelling te verlenen tot stand is gekomen. Overigens stelt de Raad vast dat de hier bedoelde beslissing ziet op de periode 31 mei 2007 tot 16 mei 2008 en derhalve niet op de datum in geding, te weten 4 mei 2006.
4.4. Wat betreft het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het EVRM overweegt de Raad het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt deze termijn aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen tegen het uitblijven daarvan. De Raad stelt vast dat tegen het primaire besluit van 10 mei 2006 op 22 mei 2006 bezwaar is gemaakt. Vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift op 23 mei 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en bijna tien maanden verstreken. Nu de redelijke termijn in beginsel niet is overschreden indien die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen, dient het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden afgewezen.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
EF