Art. 3 ZiektewetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 WerkloosheidswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen dienstbetrekking maar gezamenlijk ondernemerschap tussen appellante en betrokkenen
Appellante hield zich bezig met handel in effecten en verwante activiteiten. Het UWV kwalificeerde de arbeidsverhoudingen van vijf betrokkenen tot appellante als dienstbetrekkingen, wat verzekeringsplicht en premiebetaling tot gevolg had. Het UWV legde correctienota's op over de jaren 2000-2004 en verklaarde bezwaren ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep bestreed appellante dit oordeel. Zij stelde dat de vereisten van ondergeschiktheid en vaste beloning ontbraken en wees op een verliesregeling die risico's voor betrokkenen inhield. Ook betwistte zij dat alleen zij correcties opgelegd kreeg.
De Raad stelde vast dat de betrokkenen via hun eigen bedrijven deelnamen in een vennootschap onder firma met appellante en haar zusterbedrijven, gericht op gezamenlijk ondernemen. De VOF-overeenkomsten voorzagen in een primair winstrecht en een verliesregeling, waardoor betrokkenen financieel risico liepen. De Raad concludeerde dat er geen gezagsverhouding was, maar een samenwerking met gezamenlijke ondernemerschap.
Daarmee konden de premiecorrecties niet worden gehandhaafd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept de eerdere besluiten en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De premiecorrecties opgelegd aan appellante worden vernietigd wegens ontbreken van een dienstbetrekking.
Uitspraak
09/2025 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2009, 08/1130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. J. de Jong, werkzaam bij Paerel Advies accountants & belastingadviseurs te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Namens appellante is verschenen mr. drs. De Jong. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.
2. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de rechtsoverwegingen 2.1, 2.2, 5.1 tot en met 5.4, 10.1 en 10.2 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellante heeft zich in de jaren hier in geding bezig gehouden met de handel in effecten, opties, edele metalen, valuta en termijncontracten alsmede het beleggen in vermogen in het algemeen en het verlenen van adviezen in dat verband. In het kader van een bij appellante uitgevoerde looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 4 december 2005, heeft het Uwv de arbeidsverhoudingen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (hierna: de betrokkenen) tot appellante gekwalificeerd als dienstbetrekkingen, waaruit op grond van artikel 3 vanPro de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplicht voortvloeit, zodat over de betalingen voor de door betrokkenen verrichte arbeid premies verschuldigd zijn.
2.2. Bij besluiten van 21 december 2005 - zijnde correctienota’s - heeft het Uwv hierop nadere premies vastgesteld ten aanzien van appellante over de jaren 2000 tot en met 2004.
2.3. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het Uwv de bezwaren tegen de correctienota’s ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellante betwist dat de voor een dienstbetrekking geldende vereisten van ondergeschiktheid en een vaste beloning aanwezig waren en heeft gewezen op de voor betrokkenen van toepassing zijnde verliesregeling. Subsidiair is appellante van mening dat gelet op de hoogte van de primaire winstrechten geen sprake kan zijn van verzekeringsplicht ingevolge de Ziekenfondswet. Ten slotte kan appellante zich er niet mee verenigen dat uit praktische overwegingen de correctienota’s uitsluitend aan haar zijn opgelegd en niet (mede) aan andere betrokken vennootschappen.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Appellante heeft zich in de jaren hier in geding voornamelijk bezig gehouden met handel in effecten. Deze activiteiten konden, zoals toegelicht ter zitting, zeer winstgevend zijn, maar daaraan waren ook grote financiële risico’s verbonden, zoals die zich in latere jaren hebben geopenbaard. Betrokkenen waren via hun eigen bedrijf, dat veelal in de vorm van een besloten vennootschap werd gedreven, werkzaam in het kader van een vennootschap onder firma (VOF), die gesloten was tussen het eigen bedrijf van de betrokkene en appellante, [B.V. 1] en/of [B.V. 2] De doelstelling van de vennootschappen onder firma was het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening drijven van handel in effecten, waardepapieren en optierechten, commodities en futures, alsmede beleggingen, alles in de ruimste zin van het woord. Op basis van de gesloten VOF-overeenkomsten ontvingen betrokkenen onder de noemer van primair winstrecht dan wel voorschot op de winst maandelijks een vast bedrag. Afhankelijk van het behaalde handelsresultaat hadden betrokkenen recht op een additioneel winstrecht dan wel een bonus. De VOF-overeenkomsten bevatten tevens een verliesregeling. Toepassing van deze verliesregeling kon er niet alleen toe leiden dat het ontvangen primair winstrecht dan wel voorschot op de winst op enig moment geheel of gedeeltelijk zou moeten worden terugbetaald, maar tevens dat de betrokkenen hun persoonlijk vermogen zouden moeten aanspreken om het meerdere terug te betalen als het geleden verlies, voor zover dit aan hen werd toegerekend, hoger was dan het primair winstrecht of voorschot op de winst ontvangen bedrag. Als gevolg van de overeengekomen verliesregeling liepen betrokkenen dus het risico dat hun inkomen uit deze arbeid per saldo negatief zou zijn. De omstandigheid dat appellante met de aan haar gelieerde zusterbedrijven in de jaren in geding uitsluitend winst heeft behaald, zodat geen aanleiding bestond de overeengekomen verliesregeling toe te passen, doet niet af aan het financieel risico dat voor betrokkenen inherent was aan het verrichten van deze werkzaamheden.
5.2. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een gezagsverhouding - en derhalve ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - tussen appellante en de betrokkenen. Veeleer dient de wijze van samenwerken te worden beschouwd als een vorm van gezamenlijk ondernemerschap, waarbij appellante de rol vervulde van een facilitaire organisatie, die meedeelde in het behaalde bedrijfsresultaat waaraan niet alleen de betrokkenen maar ook de werknemers van appellante een bijdrage leverden. Dat het ieder der vennoten - zowel betrokkenen als appellante en/of haar zusterbedrijven - vrij stond de samenwerking eenzijdig te verbreken door middel van opzegging van de VOF-overeenkomst doet hieraan, anders dan het Uwv heeft betoogd, niet af. Zo’n wederzijdse discretionaire opzeggingsbevoegdheid bevestigt verder het karakter van een op gezamenlijk ondernemen gerichte samenwerking, waarvoor blijkens het vorenstaande voldoende materiële indicaties aanwezig zijn. De Raad stelt dan ook vast dat de primaire grief van appellante slaagt, zodat de overige grieven geen bespreking behoeven.
5.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 7 februari 2008 voor vernietiging in aanmerking komen. Het vorenstaande houdt tevens in dat de aan appellante opgelegde premiecorrecties geen stand kunnen houden.
6. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 februari 2008;
Herroept de besluiten van 21 december 2005;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het griffierecht van in totaal € 735,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.