ECLI:NL:CRVB:2010:BL7992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld bij psychische klachten en schending hoorplicht
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek vanuit een WW-uitkering met psychische klachten. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd hij geschikt bevonden om zijn werk te hervatten, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat het verzekeringsgeneeskundige protocol Depressieve stoornis ten onrechte niet werd toegepast en dat zijn functie onvoldoende was omschreven. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen door psychische klachten juist waren vastgesteld en dat de functiebeschrijving adequaat was. Het protocol is niet van toepassing op Ziektewet-beoordelingen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld blijft in stand.